Chinese zaagbek

Mergus squamatus

Log in om deze soort toe te voegen

De Chinese zaagbek (Synoniem: Geschubde zaagbek) behoort tot het geslacht Mergus binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

Deze zeldzame watervogel heeft een verspreiding in zuidoostelijk Rusland, Noordoost-China en mogelijk Noord-Korea, waar hij in bergachtige gebieden nestelt langs snelstromende, met bos omgeven rivieren. In de winter trekt hij naar centraal en zuidelijk China. Het dier jaagt vaak duikend op kleine vissen en ongewervelden, voornamelijk in rivieren met een helder rivierbed. Hij is relatief schuw en wordt meestal solitair of in kleine groepen gezien buiten het broedseizoen.

Chinese zaagbek
Scaly-sided Merganser
Schuppensäger
Harle de Chine

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Mergus

Ringmaat

Man 11.0 mm Vrouw 11.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
  • Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Man:
Het mannetje heeft een rode snavel die rechter en langer is dan die van de middelste zaagbekeend, met een geelachtig witte spijker aan het uiteinde. De snavel mist de neerwaarts gebogen punt die kenmerkend is voor de grote zaagbek. De neusgaten liggen in het midden van de snavel. In vlucht lijkt hij op de middelste zaagbek, maar door het overlappen van het leefgebied met de grote zaagbek is de soort goed te onderscheiden. In broedkleed zijn kop en nek zwart met een groene glans, met een opvallende zwarte verenpet. De borst en buik zijn wit. De rug en flanken zijn zwart-wit geschubd door brede zwarte veerranden. De onderstaartdekveren zijn wit met fijne grijze stipjes. De staartveren zijn zilvergrijs. In eclipskleed lijkt het mannetje sterk op het vrouwtje, waarbij de typische flanktekening ontbreekt of slechts vaag zichtbaar is en de kuif korter is.

Vrouw:
Het vrouwtje heeft een grijze rug en vleugel bovenzijde. De keel en borst zijn wit. Kop en nek zijn bruin tot roodbruin met een lange, dunne kuif. De flanken zijn wit met donkergrijze schubtekening. De staartveren zijn zilvergrijs, zoals bij het mannetje.

Juveniel:
Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar hebben een donkerder gekleurde kop en een fijnere, lichtere schubtekening op de flanken. Hierdoor ogen de flanken van een afstand vaak vuilgrijs.

Kuiken:
De kuikens vertonen de typische kenmerken van zaagbekken. Bovenkop en bovendeel van de wangen zijn roodbruin, terwijl de wangen naar beneden toe lichter worden. Onder het oog bevindt zich een witte vlek met daaronder een halve witte maan, wat het gezicht een gestreept uiterlijk geeft. De bovenzijde is grauwgrijs met een bruinige tint en heeft witte vlekken op de schouders en lichaamszijden. De onderzijde is wit.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 180
  • Tijdschrift 214
  • Tijdschrift 220
  • Tijdschrift 278