Vogel
Gevlekte fluiteend
Gevlekte fluiteend
Dendrocygna guttata
Log in om deze soort toe te voegenDe Gevlekte fluiteend (Synoniem: Gevlekte boomeend) behoort tot het geslacht Dendrocygna binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
Deze middelgrote eendensoort komt voor in Indonesi�, Nieuw-Guinea, Australi� en de Filipijnen, en leeft voornamelijk in vochtige laaglandgebieden zoals kleine vijvers en moerassen met bomen. Ze broeden in boomholten en zijn �s nachts actief met foerageren, waarbij ze graszaden, waterplanten en kleine waterdieren eten. De vogels vertonen sociaal gedrag, vormen sterke paarbanden en beschermen hun jongen zorgvuldig.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
- Bird Genus
- Dendrocygna
Ringmaat
Man 11.0 mm Vrouw 11.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
- Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Man:
Het mannetje heeft een kastanjebruin verenkleed met opvallende witte vlekjes op de flanken, borst en rug, die de soort zijn naam geven. De kop en nek zijn lichtbruin, de rug en bovenvleugels donkerder bruin. De buik en onderstaart zijn vuilwit. De snavel is leigrijs tot zwartachtig, de poten zijn grijsblauw en de iris is donkerbruin. Het silhouet is slank, met een relatief lange nek en poten.
Vrouw:
Het vrouwtje is qua verenkleed vrijwel identiek aan het mannetje en in het veld nauwelijks te onderscheiden. Ze is gemiddeld iets kleiner en fijner gebouwd. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter en grijzer van toon, met minder duidelijke witte vlekjes op borst en flanken. De rug en vleugels zijn egaal bruin en het vlekkenpatroon ontwikkelt zich pas later. De snavel is grijzer, de poten vleeskleurig tot grijs en de iris donker.
Kuiken:
De kuikens zijn donkerbruin donsachtig aan de bovenzijde en geelachtig tot vuilwit aan de onderzijde. Ze hebben lichtere vlekken op de wangen en een lichte oogstreep, die contrasteert met de donkere kruin en rugstrepen. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.