Vogel
Kolgans (europese)
Kolgans (europese)
Anser albifrons albifrons
Log in om deze soort toe te voegenDe Kolgans (europese) behoort tot het geslacht Anser uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
De kolgans is een middelgrote gans met een opvallende witte voorhoofdband en zwarte dwarsstrepen op de borst. In de zomer broedt hij op toendra�s in het hoge noorden van Eurazi�, waarna hij in grote groepen naar het zuiden trekt om te overwinteren op graslanden, akkers en laagveengebieden in West-Europa. Hij leeft in de winter vaak in gemengde groepen met andere ganzensoorten, foerageert op plantaardig materiaal en is afhankelijk van open terrein met voldoende water. Deze sociale vogel valt op door zijn muzikale, hoge roep tijdens vluchten.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
- Bird Genus
- Anser
Ringmaat
Man 16.0 mm Vrouw 16.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
- Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje heeft een grijsbruin verenkleed met een lichtere, vaak fijn gebandeerde borst en flanken. De buik is wit met variabele zwarte dwarsvlekken (meer bij oudere vogels). De kop en hals zijn bruingrijs, met een duidelijke witte voorhoofdsband die tot boven de snavel reikt � een kenmerkend veldkenmerk. De snavel is roze tot oranjerood met een bleke rand aan de basis, de poten zijn oranje en de iris donkerbruin. In vlucht vallen de contrasterend donkere bovenvleugels en lichte ondervleugels op.
Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje. Zij is gemiddeld iets kleiner en slanker van bouw, maar verder in het veld moeilijk te onderscheiden. Snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen missen de witte voorhoofdsband en de zwarte buikvlekken. Hun verenkleed is egaler bruingrijs, met een vuilwitte buik. De snavel is grijzer met een zwakkere roze tint, de poten zijn doffer oranjegrijs en de iris donker. De kenmerkende voorhoofdsband verschijnt pas na de eerste rui.
Kuiken:
De kuikens zijn geel donsachtig aan de onderzijde en olijfbruin aan de bovenzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, contrasterend met lichtere wangen en keel. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.