Nijlgans

Alopochen aegyptiaca

Log in om deze soort toe te voegen

De Nijlgans (Synoniem: Egyptische vosgans) behoort tot het geslacht Alopochen binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

De zogenaamde Nijlgans is een opvallende watervogel van Afrikaanse oorsprong, die zich thuis voelt bij allerlei waterrijke gebieden zoals meren, rivieren, moerassen en soms zelfs in stedelijk gebied. Ze komen algemeen voor in Afrika ten zuiden van de Sahara en het Nijldal, maar zijn door uitzetting en ontsnapping ook te vinden in delen van Europa, het Midden-Oosten en Noord-Amerika. Deze gans leeft graag in open landschappen met voldoende water en grasland, waar ze vooral plantaardig materiaal eet, zoals gras, waterplanten en graan, en daarbij soms schade aan gewassen veroorzaken. Ze broeden vaak op de grond, maar soms hoog in bomen, en staan bekend om hun territoriaal en soms agressief gedrag, ook ten opzichte van andere watervogelsoorten.

Nijlgans
Egyptian Goose
Nilgans
Oie dՃgypte

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Alopochen

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
  • Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Man:
Het mannetje heeft een bont verenkleed. De kop en hals zijn lichtgrijs tot beige met een kastanjebruine oogvlek die rond de iris loopt. De borst is lichtbruin met een kastanjebruine band, de flanken zijn lichtgrijs en de buik vuilwit. De rug is bruin, de vleugels zijn wit met zwarte slagpennen en een groene iriserende spiegel. De staart is zwart. De snavel is roze met een donkere punt, de poten zijn roze tot roodachtig en de iris is geel met een opvallende kastanjebruine oogring.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en is in het veld moeilijk te onderscheiden. Zij is gemiddeld iets kleiner en de kleuren zijn vaak wat matter. De oogvlek is soms minder intens kastanjebruin. Snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn grijzer en doffer, met een vager patroon. De oogvlek is afwezig of slechts zwak aanwezig. De vleugelspiegel is minder contrastrijk en vaak nog dof groen. De snavel is grijzer van toon, de poten zijn vleeskleurig tot dof roze en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn donkerbruin donsachtig aan de bovenzijde en vuilwit aan de onderzijde. Ze hebben duidelijke donkere rugstrepen en een donkere oogstreep die langs het oog naar achteren loopt. De wangen en kin zijn lichter. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.