Taiga rietgans (middendorfs)

Anser fabalis middendorffii

Log in om deze soort toe te voegen

De Taiga rietgans (middendorfs) (Synoniem: Middendorff's Rietgans) behoort tot het geslacht Anser binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

Deze grote gans broedt in de oostelijke Siberische taiga en overwintert vooral in oostelijk China, Korea en Japan. Hij komt zelden zo ver naar het zuiden als Hong Kong, waar hij eenmalig is waargenomen in een nieuw ingericht wetlandsgebied met ondergelopen grasland. De soort foerageert graag in natte graslanden en zoekt overdag voedsel, terwijl �s nachts in groepen wordt gerust op veilige, open plekken. Hij leeft in groepen, gedraagt zich sociaal en kiest vaak dezelfde routes en plekken tijdens de jaarlijkse trek.

Taiga rietgans (middendorfs)
Taiga Bean Goose (Middendorff)
Taiga-Rietgans (Middendorff)
Oie de la toundra (Middendorff)

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Anser

Ringmaat

Man 18.0 mm Vrouw 18.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
  • Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje is de grootste ondersoort van de rietganzen. Het verenkleed is donkerbruin met een donkerdere kop en nek, en een fijn gebandeerde bruin-grijze rug. De borst is donkerbruin, de flanken grijzer met lichtere veerranden, en de buik vuilwit. De snavel is relatief lang en recht, zwart met een vrij smalle oranje band in het midden. De poten zijn oranje en de iris donkerbruin. De lange nek en forse bouw onderscheiden hem van andere ondersoorten.

Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje, maar gemiddeld iets kleiner en lichter gebouwd. Haar snavel is vaak iets korter, maar vertoont dezelfde oranje band. Snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn matter bruin met een grijzer verenkleed en brede, lichte veerranden die een geschubd uiterlijk geven. De snavel is donkergrijs met slechts een zwakke oranje zweem, de poten zijn doforanje en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn olijfbruin donsachtig aan de bovenzijde en geelachtig tot vuilwit aan de onderzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen met lichtere wangen en kin. De snavel is klein en grijsroze, de poten vleeskleurig en de iris donker.