Kleine lepelaar

Platalea minor

Log in om deze soort toe te voegen

De Kleine lepelaar (Synoniem: Noordelijke lepelaar) behoort tot het geslacht Platalea uit de familie van Ibissen en Lepelaars (Threskiornithidae).

Deze zeldzame waadvogel leeft voornamelijk langs de kusten van Oost-Azi�, vooral in ongestoorde wetlands en kleine eilanden. Hij voedt zich met vis en garnalen in ondiep water en vertoont trekgedrag, waarbij hij in de winter zuidelijker gelegen gebieden bezoekt. Dankzij zijn speciale snavel helpt hij de balans in zijn ecosysteem te behouden.

Kleine lepelaar
Black-faced spoonbill
Schwarzstirnl�ffler
Petite Spatule

Taxonomische indeling

Bird Order
Pelikanen, Reigerachtigen, Ibissen en Lepelaars (Pelecaniformes)
Bird Family
Ibissen en lepelaars (Threskiornithidae)
Bird Genus
Platalea

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Ibissen en lepelaars

In de avicultuur vraagt deze soort om een ruime volière met waterpartijen, veilige broedgelegenheden en een gevarieerd dieet.
De volgende punten kunnen als aanbevolen richtlijn worden gebruikt:

  • Huisvesting: ruime volière (ca. 20–30 m² per paar, ± 3 m hoog) met vijver of waterpartij en beplanting; nestplatforms of takkenbossen voor broed.
  • Klimaat: gematigde soorten buiten met beschutting; tropische soorten vorstvrij (ca. 10 °C of warmer).
  • Sociaal: groeps- of koloniehuisvesting aanbevolen; in broedseizoen voldoende ruimte en nestplekken om agressie te beperken.
  • Voeding: watervogelpellets aangevuld met vis, weekdieren, garnalen, insecten; eventueel plantaardig materiaal.
  • Water & hygiëne: altijd vers drink- en badwater; vijvers regelmatig verversen of doorstromen.

 

Huisvestingsrichtlijnen waterpartij voliere

Man:
Het mannetje heeft een overwegend wit verenkleed over het gehele lichaam. Tijdens het broedseizoen ontwikkelt de vogel een sierlijke kuif van lange, dunne witte veren aan de achterkant van de kop. De snavel is lang, plat en lepelvormig, donkergrijs tot zwartachtig met een lichtgele basis. De poten zijn zwart en lang, geschikt om in ondiep water te waden. De iris is geelachtig tot oranje.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en vertoont hetzelfde volledig witte verenkleed en de kuif tijdens het broedseizoen. Ze is meestal iets kleiner en de snavel kan iets slanker zijn. De poten en iris zijn identiek aan die van het mannetje.

Juveniel:
Jonge vogels lijken op de volwassenen, maar het witte verenkleed is matter, soms met een lichte beige tint. De kuif ontbreekt nog. De snavel is lichter grijsachtig met een donkere punt, de poten zwartgrijs en de iris donkerbruin tot geelachtig.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, grijsachtig wit dons. De snavel is kort, recht en grijs. De poten zijn grijsgroen en relatief kort, en de iris donkerbruin. Naarmate ze ouder worden, ontwikkelen snavel en poten hun volwassen kleur en verschijnt het volledig witte verenkleed met de sierlijke kuif.