Vogel
Schalows toerako
Schalows toerako
Tauraco schalowi
Log in om deze soort toe te voegenDe Schalows toerako (Synoniem: Schalowi toerako) behoort tot het geslacht Tauraco uit de familie van Toerako's (Musophagidae).
De Schalows toerako is een vogel uit de familie Musophagidae, genoemd naar de Duitse ornitholoog Herman Schalow. Deze vogel komt voor van Angola tot zuidwestelijk Kenia, westelijk Tanzania en Malawi. Het is een frugivore soort met een spectaculair uiterlijk, gekenmerkt door een lange, puntige groene kuif en heldergroene lichaamskleur. Ze zijn actief in diverse habitats en zijn bekend om hun korte, effectieve vluchten.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Toerako's (Musophagiformes)
- Bird Family
- Toerako's (Musophagidae)
- Bird Genus
- Tauraco
Ringmaat
Man 8.0 mm Vrouw 8.0 mmWelzijnsadviezen
Toerako's
Toerako’s zijn middelgrote, tropische bosvogels afkomstig uit Afrika. Ze brengen veel tijd door in bomen en struiken en vragen in de avicultuur om ruime, groene volières met klimmogelijkheden en beschutting. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (8–12 m² per paar, 2–3 m hoog) met dichte beplanting, klimplanten en takken; droog, tochtvrij binnenverblijf.
- Klimaat: tropische omstandigheden; temperatuur bij voorkeur boven 10–15 °C; in winter verwarmd binnenverblijf; luchtvochtigheid 50–70%.
- Sociaal: houden in paren of kleine familiegroepen; tijdens broedperiode koppels eventueel apart.
- Voeding: zachtvoer voor vruchtenetende vogels; vers fruit, bessen, bladgroen en af en toe insecten; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: rustige omgeving met veel verrijking, natuurlijke begroeiing en variatie in zitmogelijkheden.
Wetgeving(en)
EU verordening bijlage B (CITES appendix II)
Deze vogel valt onder bijlage B en wordt niet als direct bedreigd beschouwd, maar staat wel onder bescherming om te voorkomen dat handel de populaties schaadt. In de avicultuur is het toegestaan deze soort te houden en te kweken, mits de legale herkomst duidelijk kan worden aangetoond. Bij overdracht of verkoop moet altijd een overdrachtsverklaring of registratie aanwezig zijn. Hierdoor kan bij controles worden bewezen dat de vogel afkomstig is uit legale kweek en niet uit de natuur is onttrokken.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Mag in avicultuur worden gehouden en gekweekt.
- Handel en overdracht alleen toegestaan met overdrachtsverklaring of registratie.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd aantoonbaar zijn.
- Minder streng dan bijlage A, maar wel documentatieplicht.
Man:
Het mannetje is een middelgrote loerie van circa 42-45 cm lengte, met een opvallend lange kuif die tot 10 cm hoog kan worden. Het verenkleed is overwegend smaragdgroen met een blauwgroene glans op rug en vleugels. De borst en buik zijn lichter geelgroen, terwijl de onderstaartdekveren kastanjebruin zijn. De vleugels hebben karmozijnrode slagpennen, die in vlucht fel contrasteren. De kuif is groen met een witte eindzoom, waardoor deze zeer herkenbaar is. De staart is lang, trapvormig en donkergroen met een blauwe glans. De ogen zijn oranjerood, omgeven door een brede, kale rode oogring. De snavel is kort, krachtig en rood, de poten donkergrijs tot zwart.
Vrouw:
Het vrouwtje is nagenoeg identiek aan het mannetje en in het veld moeilijk te onderscheiden. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kuif is vaak iets korter. De rode oogring en rode snavel zijn gelijk van kleur, soms iets minder fel.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter van kleur, olijfgroen in plaats van smaragdgroen. De kuif is kort en vaak zonder de duidelijke witte zoom. De oogring is kleiner en minder fel rood, soms eerder roze. De snavel is grijsgroen en verkleurt later naar rood. De iris is bruin.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met donkerbruin dons. Zoals bij andere loeries bezitten ze kleine haakvormige structuren aan vleugels en poten, waarmee ze zich door takken en struikgewas kunnen bewegen. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de ogen zijn gesloten bij geboorte, later donkerbruin. Het smaragdgroene kleed en de lange kuif met witte eindzoom ontwikkelen zich pas tijdens de eerste jeugdrui.