Canarische scholekster

Haematopus meadewaldoi

Log in om deze soort toe te voegen

De Canarische scholekster behoort tot het geslacht Haematopus uit de familie van Scholeksters (Haematopodidae).

Deze zwarte steltloper was endemisch op de Canarische Eilanden, voornamelijk op Fuerteventura en Lanzarote, waar hij leefde in rotsachtige getijdenzones langs de kust. Hij voedde zich met kleine weekdieren en schaaldieren en vermeed menselijke verstoring. Zijn gedrag leek rustiger dan dat van enkele verwante soorten, met een voorkeur voor rotsachtige habitat. Helaas is deze vogel rond 1940 uitgestorven.

Canarische scholekster
Canary Islands Oystercatcher
Kanarenausternfischer
Hu�trier des Canaries

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Scholeksters (Haematopodidae)
Bird Genus
Haematopus

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Scholeksters

Scholeksters zijn kustvogels die leven op zand- en slikplaten, rotskusten en kwelders. In de avicultuur vragen ze om ruime, open verblijven met ondiep water, zanderige zones en harde oppervlakken om hun natuurlijke foerageer- en nestgedrag te kunnen vertonen. Om Scholeksters op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste geadviseerde richtlijnen.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met zand- en grindzones; ondiep water (5–20 cm diep) voor foerageren en baden; stenen, schelpen of keien als natuurlijke rust- en nestplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: weerbestendig; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; bij strenge kou vorstvrij nachtverblijf aanbevolen; zonnige ligging met schaduwplekken geschikt.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedseizoen territoriaal – voldoende ruimte voorkomt conflicten; buiten kweekperiode groepshuisvesting mogelijk bij rust en ruimte.
  • Voeding: schelpdieren, weekdieren, garnalen en kleine kreeftachtigen; aanvullen met watervogelpellets of visstukjes; in kweek extra dierlijk eiwit en calcium (schelpen, mineralen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing; zand-, grind- en schelpbodem bevordert natuurlijk gedrag; gladde of harde oppervlakken vermijden om pootproblemen te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Scholeksters

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje had een grotendeels zwart verenkleed met een lichte, witte onderbuik en witte ondervleugels. De bovenzijde en kop waren glanzend zwart. De snavel was lang, recht en fel rood tot oranje, typisch voor scholeksters. De poten waren bleekroze. De iris was geelachtig tot roodachtig, omgeven door een rode oogring. In vlucht vielen de contrasterende witte ondervleugels en stuit op.

Vrouw:
Het vrouwtje leek sterk op het mannetje, maar was iets groter en had een langere, slankere snavel. Het verenkleed en de kleurkenmerken van snavel, poten en ogen waren gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juveniele vogels hadden een donkerbruin in plaats van zwart verenkleed, met minder contrasterende witte delen. De snavel was korter en doffer oranje met een donkere punt. De poten waren grijzer en de iris bruinachtig, zonder de heldere oogring van volwassen vogels.

Kuiken:
De kuikens waren vermoedelijk bedekt met grijsbruin dons met donkere vlekken en een lichtere onderzijde, zoals bij andere scholekstersoorten, wat camouflage bood in kustgebieden. De snavel was kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.