Bossnip

Gallinago nemoricola

Log in om deze soort toe te voegen

De Bossnip behoort tot het geslacht Gallinago uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).

Deze vogelsoort leeft in vochtige bergbossen en graslanden van de zuidelijke Himalaya tot noordelijk Vietnam. Hij voedt zich voornamelijk met ongewervelden in zachte bodems en vertoont een schuw en geheimzinnig gedrag, vaak actief tijdens schemering en nacht.

Bossnip
Wood Snipe
Nepalbekassine
B�cassine des bois

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Gallinago

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Man:
Het mannetje is een forse snip van circa 29�31 cm lengte, robuuster dan de meeste verwante soorten. Het verenkleed is rijk getekend: de kruin is donkerbruin met een smalle, lichtere middenstreep; een brede lichte wenkbrauwlijn contrasteert sterk met de donkerbruine oogstreep. De rug en vleugels zijn donkerbruin met goudgele en zandkleurige lengtestrepen, wat een uitgesproken geschubd patroon oplevert. De borst en flanken zijn dicht gebandeerd in bruin en beige, de buik is vuilwit. De snavel is zeer lang, recht en donkergrijs tot zwart, met een iets lichtere basis. De poten zijn grijsgroen tot geelachtig. De iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje en in het veld nauwelijks te onderscheiden. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kleuren zijn soms minder contrastrijk, maar de tekening blijft gelijk.

Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op de adulten maar zijn warmer getint, met kastanjebruine accenten in de rugveren. De lichte strepen op rug en vleugels zijn breder en contrastrijker. De borsttekening is fijner en de buik egaler vuilwit. De snavel is korter en lichter aan de basis, de poten valer grijsgroen.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht dons, warm bruin tot geelbruin met donkere rugstrepen die uitstekende camouflage bieden in vochtige graslanden en moerassen. De onderzijde is vuilwit. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de ogen zijn donker. De kenmerkende lange snavel en contrastrijke rugtekening ontwikkelen zich pas tijdens de eerste jeugdrui.