Grauwe franjepoot

Phalaropus lobatus

Log in om deze soort toe te voegen

De Grauwe franjepoot behoort tot het geslacht Phalaropus uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).

De grauwe franjepoot is een slanke, kleine, opvallend zwemmende steltloper die vooral in het najaar als schaarse doortrekker langs de Nederlandse kust en op zoet water wordt gezien. Kenmerkend is zijn ondiepe zoektocht naar kleine waterdieren, terwijl hij rondjes draait op het water. In tegenstelling tot veel andere steltlopers, leven deze vogels in broedtijd in het hoge noorden, vaak nabij poelen en plassen. Hun bijzondere rolverdeling is opvallend: de mannetjes broeden het nest uit en groot de jongen, terwijl vrouwtjes meerdere mannetjes kunnen paren als deze talrijk zijn.

Grauwe franjepoot
Red-necked Phalarope
Odinshühnchen
Phalarope à bec étroit

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Phalaropus

Ringmaat

Man 3.5 mm Vrouw 3.5 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje (grauwe franjepoot) is een kleine steltloper van circa 18-19 cm lengte, slank gebouwd met relatief korte poten en een rechte, naaldachtige zwarte snavel. In broedkleed is de kop grijs met een witte wang en een donkere oorstreek; de hals draagt een opvallende roestbruine vlek die doorloopt naar de borst. De rug en vleugels zijn donkergrijs met lichte randen, de buik is wit. In vlucht valt de smalle, witte vleugelstreep op. De poten zijn grijsgroen, met lobben aan de tenen die aangepast zijn aan zwemmen. De iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is bij deze soort contrastrijker en kleurrijker dan het mannetje. Haar broedkleed toont diepere roestbruine tinten in de halsvlek en donkerder grijze rugveren, soms met een blauwige glans. Ze is gemiddeld ook iets groter. Buiten het broedseizoen lijken beide geslachten sterk op elkaar in een eenvoudig grijs-wit winterkleed.

Juveniel:
Juvenielen hebben een zandbruine bovenzijde met donkere centra en lichte randen, wat een geschubd patroon vormt. De kop is lichter met een subtiele wenkbrauwstreep. De borst is lichtbeige met fijne streepjes, de buik vuilwit. De snavel is slank en zwart, de poten grijsgroen.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met donkere rugstrepen en een vage donkere oogstreep, wat uitstekende camouflage biedt in vochtige graslanden en toendra. De onderzijde is vuilwit. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig met al zichtbare lobben aan de tenen, en de ogen donker. Het contrastrijke roestbruine broedkleed ontwikkelt zich pas tijdens de eerste jeugdrui.