Kleine regenwulp

Numenius minutus

Log in om deze soort toe te voegen

De Kleine regenwulp (Synoniem: Dwergwulp) behoort tot het geslacht Numenius uit de familie van strandlopers en snippen (Scolopacidae).

De kleine regenwulp is een slanke, grijze tot bruine steltloper met een relatief korte, licht gebogen snavel en bleekgele tot blauwgrijze poten. Hij broedt in het noorden van Siberi� in open bossen en rivierdalen, waar hij in losse kolonies op de grond nestelt. In de winter trekt deze vogel naar graslanden, akkers en zoetwatergebieden in Australi�, waar hij in groepen leeft. Tijdens de trek worden ook stopplaatsen gemaakt in Zuidoost-Azi�. De soort voedt zich met kleine ongewervelden, die hij vindt door te pikken in zachte modder of grasland. Het is een sterke trekker, die bekendstaat om zijn lange reizen tussen zijn broed- en overwinteringsgebieden, met onderweg tussenstops in diverse habitats, van kustmoerassen tot droge graslanden en zelfs sportvelden.

Kleine regenwulp
Little Curlew
Zwergbrachvogel
Courlis nain

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Numenius

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje (kleine regenwulp) is de kleinste wulpensoort, met een lengte van circa 30�34 cm. Het verenkleed is zandbruin tot grijsbruin, met donkere lengtestrepen en vlekjes die uitstekende camouflage bieden in toendra en graslanden. De kruin is donker met een duidelijke lichte middenstreep, de wenkbrauw is smal en licht, contrasterend met een donkere oogstreep. De borst is lichtbruin en fijn gestreept, de buik vuilwit. De vleugels zijn relatief lang en puntig, in vlucht contrasteren de donkere bovenvleugels met de lichtere onderzijde. De snavel is lang en naar beneden gebogen, maar korter en slanker dan bij andere soorten; donker aan de punt, lichter aan de basis. De poten zijn grijsgroen, de iris donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is gemiddeld iets groter dan het mannetje, met een langere en sterker gebogen snavel. Het verenkleed is identiek, zodat geslachtsonderscheid in het veld vrijwel onmogelijk is.

Juveniel:
Juvenielen zijn warmer getint, met kastanjebruine accenten in de rugveren en contrasterende lichte randen die een geschubd effect geven. De borst is vaalbeige met fijne streepjes, de buik vuilwit. De snavel is korter en rechter dan bij adulten, donkergrijs met een lichtbruine basis. De poten zijn valer grijsgroen.

Kuiken:
Kuikens zijn klein en bedekt met zacht, geelbruin dons met donkere rugstrepen en een fijne oogstreep, wat uitstekende camouflage biedt in open graslanden en toendra. De onderzijde is vuilwit. De snavel is kort en recht, donkergrijs van kleur; de poten vleeskleurig en de ogen donker. Het kenmerkende slanke, naar beneden gebogen snavelsilhouet ontwikkelt zich pas naarmate het kuiken groeit en door de eerste jeugdrui gaat.