Krombekstrandloper

Calidris ferruginea

Log in om deze soort toe te voegen

De Krombekstrandloper behoort tot het geslacht Calidris uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).

Deze kleine scholekster broedt in het noordelijke poolgebied van Siberi� en trekt tijdens de winter naar kustgebieden in Afrika, Azi� en Australi�. Hij leeft in getijdengebieden, modderbanken en zoetwaterplassen, waar hij met zijn lange snavel ongewervelden uit de modder vist. In het broedseizoen vertoont hij opvallend gedrag zoals complexe baltsvluchten en nestbouw op de toendra.

Krombekstrandloper
Curlew Sandpiper
Sichelstrandl�ufer
B�casseau cocorli

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Calidris

Ringmaat

Man 4.0 mm Vrouw 4.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje is een middelgrote strandloper van circa 19�21 cm lengte. In broedkleed is de kop, hals en borst warm kastanjebruin tot roodachtig, vaak met donkere streepjes op de kruin en flanken. De rug en scapulieren zijn donkerbruin met zwarte centra en kastanjebruine randen, wat een bont geschubd patroon oplevert. De buik is wit, soms met kastanjebruine vlekken doorlopend naar de onderzijde. In vlucht valt een smalle witte vleugelstreep op. De snavel is middellang, zwart en naar de punt toe licht neerwaarts gebogen. De poten zijn donkergrijs tot zwart. De iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is zeer gelijkend maar gemiddeld iets groter, met een langere snavel. De kastanjebruine tinten zijn vaak minder intens en de borsttekening subtieler.

Juveniel:
Juvenielen zijn frisser en grijzer van kleur, met zandkleurige randen aan rug- en vleugelveren, wat een fijn geschubd patroon geeft. De borst is lichtbeige met fijne donkere vlekjes, de buik vuilwit. De snavel is korter en grijzer aan de basis, de poten valer grijs.

Kuiken:
Kuikens zijn klein en bedekt met zacht dons, geelbruin tot zandkleurig met donkere rugstrepen die camouflage bieden in kustgraslanden en vochtige toendra. De onderzijde is vuilwit. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de ogen donker. Het warm kastanjebruine broedkleed verschijnt pas na de eerste rui.