Rode grutto

Limosa haemastica

Log in om deze soort toe te voegen

De Rode grutto behoort tot het geslacht Limosa uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).

Deze vogel is een langere afstandsmigrant die broedt in het noorden van Canada en Alaska, en overwintert in het zuiden van Zuid-Amerika. Ze gebruiken habitats zoals modderige vlaktes, moerassen en overstromingsvelden tijdens migraties. Bij het foerageren steken ze hun lange snavels in ondiep water om ongewervelde dieren en plantenmateriaal te eten. Hun broedhabitats omvatten toendra's en moerassen, waar ze op de grond nestelen.

Rode grutto
Hudsonian Godwit
Hudsonschnepfe
Barge hudsonienne

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Limosa

Ringmaat

Man 7.0 mm Vrouw 7.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje is een forse steltloper van circa 37�42 cm lengte. In broedkleed zijn kop, hals en borst warm kastanjebruin tot roodbruin, vaak doorlopend naar de flanken. De rug en vleugels zijn donkerbruin met lichtere randen, wat een geschubd patroon oplevert. De buik is lichter, soms vuilwit met donkere vlekken. In vlucht valt de opvallend witte stuit en onderrug op, contrasterend met de zwarte staartband. De snavel is lang, recht en tweekleurig: roze tot oranje aan de basis, donker aan de punt. De poten zijn lang en grijs tot zwartachtig. De iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is gemiddeld iets groter met een langere snavel. De kastanjebruine borst- en buikpartij is vaak minder intens en beperkter van omvang.

Juveniel:
Juvenielen hebben een grijzer en frisser kleed, met zandkleurige randen aan rugveren die een geschubd patroon vormen. De borst is lichtbeige met fijne donkere vlekjes, de buik vuilwit. De snavel is korter en gelijkmatig grijsbruin, de poten lichter grijs.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht dons, geelbruin tot zandkleurig met donkere rugstrepen en een subtiele oogstreep die uitstekende camouflage biedt in open graslanden en moerasgebieden. De onderzijde is vuilwit. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de ogen donker. De karakteristieke kastanjebruine broedkleuren ontwikkelen zich pas tijdens de eerste volwassen rui.