Vogel
Steenloper
Steenloper
Arenaria interpres
Log in om deze soort toe te voegenDe Steenloper behoort tot het geslacht Arenaria uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).
Deze vogel, zwart-wit getekend met oranjebruine bovendelen en korte, oranje poten, is vooral een kenmerkende verschijning aan de kust, waar hij tussen stenen op zoek gaat naar voedsel. Hij broedt in het hoge noorden van Europa, Azi� en Noord-Amerika, maar trekvogels bezoeken in de winter en op doortrek onze kustgebieden. Steenstranden, dijken, strekdammen en modderbanken vormen het leefgebied, waar hij zich met zijn korte snavel te goed doet aan insecten, larven en kreeftachtigen door steentjes, schelpen en zeewier om te keren � vandaar de Nederlandse naam. In Nederland worden vooral doortrekkers en wintergasten gezien, vaak in groepen, soms met tientallen exemplaren. Grote delen van de West- en Oostkust, de Waddenzee en de Zeeuwse Delta zijn dan ook aangewezen als belangrijke rust- en foerageergebieden voor deze soort.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
- Bird Genus
- Arenaria
Ringmaat
Man 4.5 mm Vrouw 4.5 mmWelzijnsadviezen
Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's
De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
- Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
- Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
- Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje (steenloper) is een stevige steltloper van circa 22�24 cm lengte met korte oranje poten en een vrij korte, wigvormige snavel die licht omhoog gebogen is. In broedkleed is de kop wit met zwarte strepen en vlekken, de borst zwart geblokt, de rug en scapulieren kastanjebruin, zwart en wit geschubd. De buik is zuiver wit. In vlucht vallen de brede witte vleugelstrepen, de witte rug en de zwarte staartband duidelijk op. De snavel is zwart, de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is zeer gelijkend, maar heeft doorgaans een wat matter en minder contrastrijk broedkleed. De kastanjebruine rugtekening is vaak minder uitgesproken. Ze is gemiddeld ook iets kleiner dan het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen hebben een grijzer kleed met vaalbruine rugveren die brede lichte randen hebben, waardoor een geschubd patroon ontstaat. De borsttekening is donkerder grijsbruin maar minder scherp afgetekend, de buik vuilwit. De poten zijn valer oranje tot geelachtig. De snavel is kort en donkergrijs.
Kuiken:
Kuikens zijn klein en bedekt met geelbruin dons met donkere rugstrepen en vlekken die camouflage bieden op kiezelstranden en tussen zeewier. De onderzijde is vuilwit. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig tot gelig, en de ogen donker. Het opvallende zwart-witte blokpatroon van de adulten ontwikkelt zich pas tijdens de eerste jeugdrui.