Witgat

Tringa ochropus

Log in om deze soort toe te voegen

De Witgat (Synoniem: Witgatje) behoort tot het geslacht Tringa uit de familie van strandlopers en snippen (Scolopacidae).

Deze vogel is een kleine wader die voornamelijk in het Oude Werelddeel voorkomt. Het bereikt een lengte van 21-24 cm en heeft een karakteristieke donkergroenbruine rug en een witte rump. Het broedgebied bevindt zich in subarctisch Europa en het oosten van de Palearctische regio, waarna het migreert naar Afrika en Azi�. Het is een solitaire vogel die vooral in kleine waterpartijen en moerassige gebieden te vinden is, waar het voornamelijk insecten, krabben en andere kleine dieren eet.

Witgat
Green Sandpiper
Waldwasserl�ufer
Chevalier cul-blanc

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Tringa

Ringmaat

Man 4.0 mm Vrouw 4.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje is een middelgrote steltloper van circa 21�24 cm lengte met korte poten en een compacte bouw. De kop, borst en bovenzijde zijn donkerbruin met fijne lichte stipjes en vlekken, wat een gespikkeld patroon oplevert. De buik is zuiver wit en contrasteert scherp met de donkere borst en flanken. In winterkleed is de bovenzijde egaler donkerbruin met lichtere stipjes, de borst grijzig, en de buik wit. In vlucht vallen de donkere bovenvleugels en de contrasterend witte stuit en ondervleugels sterk op. De snavel is middellang, recht en zwart, de poten zijn groenachtig grijs, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje in formaat, kleur en patroon. Zij is gemiddeld iets groter, maar dit verschil is in het veld nauwelijks zichtbaar.

Juveniel:
Juvenielen hebben een warmere, meer zandbruine bovenzijde met duidelijke lichte randen aan de veren, waardoor een geschubd effect ontstaat. De borst is lichtbruin gevlekt, de buik wit. De snavel is zwart, de poten vleeskleurig tot grijsgroen, en de iris zeer donker. Bij de eerste rui verdwijnen de warme bruine tonen en ontstaat het contrasterende adulte kleed.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons voorzien van donkere lengtestrepen en vlekken op rug en kop, wat uitstekende camouflage biedt in moerasachtige en bosrijke broedgebieden. De onderzijde is vuilwit tot cr�me. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de iris zwartbruin. Het kenmerkende gespikkelde adulte verenkleed verschijnt pas na de eerste rui.