Vogel
Zuid-Amerikaanse snip
Zuid-Amerikaanse snip
Gallinago paraguaiae
Log in om deze soort toe te voegenDe Zuid-Amerikaanse snip behoort tot het geslacht Gallinago uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).
Deze vogel komt voor in bijna heel Zuid-Amerika, behalve langs de Pacifische kust en in oostelijk Brazili�, en ook op Trinidad. Hij leeft vooral in natte graslanden en moerassige savannes. Het dier foerageert door met zijn lange snavel in de modder insecten en wormen te zoeken en is meestal moeilijk te zien doordat hij zich goed verbergt.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
- Bird Genus
- Gallinago
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's
De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
- Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
- Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
- Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
Het mannetje is een middelgrote snip van circa 27�30 cm lengte, met een gedrongen lichaam en een lange, rechte snavel. De kop is donkerbruin met een duidelijke lichte middenkruinstreep en brede lichte wenkbrauwstrepen, gescheiden door donkere oogstrepen. De bovenzijde is donkerbruin tot kastanjebruin met zwarte en goudbeige lengtestrepen en lichte veerranden, wat een sterk gecamoufleerd patroon vormt. De borst is lichtbruin met fijne donkere vlekjes, de buik vuilwit. De staart is relatief breed en roodbruin met zwarte dwarsbanden. De snavel is hoornkleurig tot donkerbruin, de poten zijn olijfkleurig tot groenachtig grijs, en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is uiterlijk vrijwel identiek aan het mannetje. Ze is gemiddeld iets groter en forser met een langere snavel, maar in kleur en patroon niet te onderscheiden.
Juveniel:
Juvenielen zijn warmer bruin met bredere lichte randen aan de rugveren, waardoor een geschubd effect ontstaat. De borst is lichtbeige met subtiele vlekjes, de buik vuilwit. De koptekening is minder scherp en contrastrijk dan bij volwassen vogels. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot groenachtig, en de iris zeer donker. Tijdens de eerste rui ontwikkelen ze de kenmerkende rugstrepen en het contrastrijke volwassen kleed.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons voorzien van donkere vlekken en brede lengtestrepen over rug en kop, wat uitstekende camouflage biedt in moeras- en graslandgebieden. De onderzijde is vuilwit tot cr�me. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de iris zwartbruin. Tijdens de groei verlengt de snavel snel en verschijnt het kenmerkende strepenpatroon van adulten na de eerste rui.