Zwarte ruiter

Tringa erythropus

Log in om deze soort toe te voegen

De Zwarte ruiter behoort tot het geslacht Tringa uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).

Deze middelgrote steltloper broedt in Noord-Scandinavi� en Noord-Rusland, vooral in moerassen en veengebieden. Buiten het broedseizoen trekt hij zuidwaarts naar kustgebieden van Europa, Noord-Afrika en tot in Zuid-Azi�. Hij zoekt ondiepe wateren op waar hij met zijn lange poten en snavel naar voedsel vist. Tijdens doortrek is hij soms in Nederland te zien, vooral van april tot oktober.

Zwarte ruiter
Spotted Redshank
Dunkelwasserl�ufer
Chevalier arlequin

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Tringa

Ringmaat

Man 5.0 mm Vrouw 5.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje is een middelgrote steltloper van circa 29�32 cm lengte, met een spanwijdte van 55�60 cm. In zomerkleed is het verenkleed grotendeels zwart met fijne witte spikkels op rug en vleugels, waardoor hij sterk afwijkt van de meeste andere steltlopers. In winterkleed is hij veel bleker: grijsbruin van boven en wit van onder, met een licht gestreepte borst en flanken. De vleugels zijn lang en slank, de staart wit met donkere bandering. De snavel is recht, lang, zwart en naar de punt iets dunner. De poten zijn helder rood tot oranjeachtig rood, een opvallend kenmerk in alle kleden. De iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is gelijk aan het mannetje in formaat en verenkleed, maar gemiddeld iets groter van bouw met een iets langere snavel. Het kleed is identiek, zowel in zomer- als winterdracht. Snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op adulte vogels in winterkleed, maar zijn warmer bruin van boven met lichte veerranden die een geschubde indruk geven. De borst is grijsbruin met fijne streepjes, de buik wit. De snavel is zwart, de poten oranjerood maar valer dan bij volwassen vogels, en de iris zeer donker. Het volledig zwarte zomerkleed ontwikkelt zich pas na de eerste rui.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met donkere vlekken en lengtestrepen over rug en kop, wat uitstekende camouflage biedt in toendra- en moerasgebieden. De onderzijde is vuilwit tot cr�me. De snavel is klein, donkergrijs, de poten vleeskleurig tot grijsachtig, en de iris zwartbruin. Het rood van de poten verschijnt pas later in de ontwikkeling.