Vogel
Djiboutifrankolijn
Djiboutifrankolijn
Pternistis ochropectus
Log in om deze soort toe te voegenDe Djiboutifrankolijn behoort tot het geslacht Pternistis binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
De Djibouti frankolijn is een zeldzame vogelsoort die endemisch is in Djibouti, gelegen in de Hoorn van Afrika. Deze vogel bewoont voornamelijk hooggelegen droge bossen met Afrikaanse juniperen, maar kan ook in andere habitats zoals boxboom bossen worden gevonden vanwege het verdwijnen van de juniperenbossen. Het is een schuwe soort die in kleine groepen wordt aangetroffen. De vogel voedt zich met bessen, zaden en termieten en broedt tussen december en februari. Door habitatverlies en overbegrazing is de populatie sterk afgenomen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Pternistis
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
- Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
- Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
- Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een middelgrote frankolijn van circa 35�37 cm lengte. Het verenkleed is overwegend donkerbruin met een duidelijke geschubde tekening op borst en flanken, veroorzaakt door lichte verenranden met donkere centra. De kop is grijsbruin met een vaag lichtere wenkbrauwstreep, terwijl de keel vuilwit tot lichtgeel is, vaak afgegrensd door een donkere rand. De borst en buik zijn bruin tot grijsbruin met lichtere vlekken, de flanken breder geschubd in kastanjebruin, zwart en beige. Rug en vleugels zijn donkerbruin met fijne bandering, de staart kort en afgerond. De snavel is robuust en oranjerood tot rood, de poten rood en voorzien van een goed ontwikkelde spoor, en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en minder contrastrijk gekleurd. De keel is valer en de borst en flanken hebben een fijnere, minder uitgesproken schubtekening. De snavel en poten zijn identiek van kleur maar vaak slanker, en de spoor ontbreekt of is minder ontwikkeld. De iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter bruin met een gelijkmatigere tekening. De kop is uniform bruin zonder duidelijke wenkbrauwstreep. De keel is lichtbeige, de borst en buik zijn warm beige tot lichtbruin met enkele donkere stippen. De flanken tonen al vaag een geschubd patroon. De snavel is grijsbruin, de poten vleeskleurig tot bleek oranje en de iris zeer donker. Naarmate ze ouder worden, ontwikkelen zich de rode snavel en poten en de uitgesproken schubtekening.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met geelbruin dons en donkere lengtestrepen over rug en kop, ideaal als camouflage in de droge gras- en struikgebieden van hun leefgebied. De onderzijde is lichter geel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen rood van snavel en poten verschijnt pas veel later, na de jeugdrui.