Geelpootbospatrijs

Tropicoperdix chloropus merlini

Log in om deze soort toe te voegen

De Geelpootbospatrijs behoort tot het geslacht Tropicoperdix binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Deze vogelsoort, vaak bekend als een ondersoort van de groenpootbospatrijs, komt voor in de westelijke delen van Centraal-Vietnam. Het habitat bestaat uit bossen waar ze zich voornamelijk op de grond bevinden. De vogels zijn vaak schuw en worden vaak gezien in kleine groepen. Ze zijn afhankelijk van de bescherming van hun bosgebieden voor hun voortbestaan.

Geelpootbospatrijs
Orange-breasted Partridge
Merlinbuschwachtel
Torquéole de Merlin

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Tropicoperdix

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.

Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
  • Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een kleine bospatrijs van circa 27-30 cm lengte. De kop is olijfbruin met een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De keel is vuilwit, omlijst door een smalle donkere lijn. De borst is olijfgrijs met een fijne schubtekening, de buik vuilwit tot lichtbeige. Rug en vleugels zijn bruin met olijfkleurige zweem, voorzien van donkere bandering en lichte veerranden. De flanken zijn kastanjebruin met lichtere streepjes. De staart is kort en bruin. De snavel is hoornkleurig tot grijszwart, de poten zijn grijs tot groenachtig en voorzien van kleine sporen, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is nauwelijks kleiner maar doffer van tint. De koptekening is subtieler, met een blekere wenkbrauwstreep en een minder scherpe begrenzing van de witte keel. De borst en buik zijn lichter beigegrijs, en de rug en vleugels zijn egaler bruin met fijnere tekening. De snavel en poten zijn gelijk van kleur aan die van het mannetje, maar de poten zijn meestal zonder sporen. De iris is bruin.

Juveniel:
Juvenielen zijn matter en meer uniform zandbruin. De koptekening is nauwelijks zichtbaar en de borst en buik zijn lichtbruin tot beige met fijne stipjes. De rug is zandkleurig met lichtere randen die een geschubd patroon geven. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleekgroen en de iris zeer donker. Tijdens de eerste rui ontwikkelen jonge hanen de olijfgrijze borst en de duidelijke koptekening.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht geelbruin dons met donkere lengtestrepen over rug en kop, een doeltreffend camouflagepatroon op de bosbodem. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de iris zwartbruin. Het volwassen kleur- en patroonverschil verschijnt pas na de eerste rui.