Grants frankolijn

Pternistis griseostriatus

Log in om deze soort toe te voegen

De Grants frankolijn behoort tot het geslacht Pternistis binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Deze vogelsoort is endemisch in Angola en leeft voornamelijk in subtropische of tropische droge bossen, vochtige laaglandbossen en droge laaglandgraslanden. De populatie wordt bedreigd door habitatsverlies. De vogel is te vinden in de westelijke hooglanden van Angola, waar hij een lokale aanwezigheid heeft. Over het gedrag en de ecologie van deze soort is nog weinig bekend, maar het is duidelijk dat habitatbescherming cruciaal is voor zijn overleven.

Grants frankolijn
Grey-striped Francolin
Graustreifenfrankolin
Francolin � bandes grises

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Pternistis

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een middelgrote frankolijn van circa 32�34 cm lengte. Het verenkleed is overwegend donkerbruin met een uitgesproken geschubde tekening: de veren van borst en flanken zijn lichtgrijs met donkere centra, waardoor een fijn grijs-gestreept of geschubd patroon ontstaat. De kop is grijsbruin met een onduidelijke lichte wenkbrauwstreep en een vaag donkerder oogstreep. De keel is vuilwit tot lichtgrijs en vaak afgegrensd door een donkere rand. Rug en vleugels zijn donkerbruin met fijne bandering; de staart is kort, afgerond en donkerbruin. De snavel is stevig, oranjerood tot rood, de poten zijn eveneens rood en voorzien van een spoor, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en doffer gekleurd. De grijze strepen op borst en flanken zijn fijner en minder contrastrijk, de keel meer beige en de wenkbrauwstreep minder zichtbaar. De poten zijn slanker en meestal zonder goed ontwikkelde spoor. De snavel en iris zijn gelijk aan die van het mannetje, maar soms wat valer van tint.

Juveniel:
Juvenielen hebben een meer uniform bruin verenkleed zonder de uitgesproken grijze strepen van volwassen vogels. De borst en buik zijn beige tot lichtbruin met enkele donkere stippen, de kop egaal bruin zonder duidelijke wenkbrauwstreep. De snavel is grijsbruin, de poten vleeskleurig tot bleek oranje en de iris zeer donker. Naarmate ze ouder worden, verschijnen de roodachtige snavel en poten en de karakteristieke grijze borst- en flankstrepen.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met geelbruin dons voorzien van brede donkere lengtestrepen over rug en kop, een uitstekend camouflagepatroon op de bosbodem. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het fijn grijs-gestreepte volwassen patroon verschijnt pas na de eerste jeugdrui.