Hagenbecks edelfazant

Phasianus colchicus hagenbecki

Log in om deze soort toe te voegen

De Hagenbecks edelfazant behoort tot het geslacht Phasianus binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Deze opvallende fazantachtige komt oorspronkelijk voor in Centraal-Azië, met name in het gebied rond Kazachstan en aangrenzende streken, maar is in veel delen van de wereld succesvol geïntroduceerd vanwege zijn populariteit als jachtvogel. Hij leeft graag in open, cultuurlandschappen zoals graslanden, akkerranden en ruige vegetatie, waarbij dekking in de vorm van hagen, rietkragen of bosjes essentieel is. Door zijn aanpassingsvermogen gedijt de soort ook in moerassen en aan bosranden, zolang er voldoende beschutting en voedsel; zoals zaden, granen en insecten; te vinden is. Hoewel hij meestal te voet op zoek gaat naar voedsel, kan hij bij gevaar verrassend snel opvliegen met luid gekakel. Buiten het broedseizoen vormen zich vaak losse groepen, terwijl de hanen in het voorjaar met opvallende baltsgedragingen hun territorium verdedigen.

Hagenbecks edelfazant
Common Pheasant (hagenbecki)
Kobdo Ringfasan
Faisan de Colchide (hagenbecki)

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Phasianus

Ringmaat

Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mm

Welzijnsadviezen

Fazanten

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
  • Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Fazanten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Deze vogel is inheems binnen de Europese Unie (EU) en behoort tot een beschermde soort onder de Europese Vogelrichtlijn. 

Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden, gekweekt en verhandeld. De houder dient zelf aan te tonen dat de vogel legaal is gekweekt en verkregen.

De belangrijkste voorwaarden voor het mogen houden van deze vogels zijn:

  • De vogel is voorzien van een naadloos gesloten pootring van de juiste ringmaat, welke is verkregen via de daartoe bevoegde organisaties (zoals Aviornis International Nederland).
  • Andere bewijsstukken (zoals een herkomstverklaring) kunnen bijdragen aan de aantoonbaarheid van legale herkomst.

Verder lezen? Word lid van Aviornis

Man:
Het mannetje heeft een opvallend verenkleed met een lichte, zandkleurige tot crème-bruine grondkleur over rug, borst en flanken. In tegenstelling tot de meeste andere ondersoorten ontbreekt vaak de brede witte halsband. De borst is lichter bruin met subtiele donkere stippeling, terwijl de rug egaler lichtbruin is met beperkte tekening. De lange staartveren zijn zandkleurig met fijne donkere banden. De kop en hals zijn minder iriserend groenblauw dan bij de nominaatvorm, vaak eerder mat donkerbruin tot groenachtig met een rode naakte huid rond de ogen. De snavel is lichtgrijs tot hoornkleurig, de poten grijsbruin en de iris donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is overwegend zandkleurig tot lichtbruin met subtiele donkere vlekken en strepen voor camouflage. De borst en buik zijn beige tot lichtgrijs. Ze is lichter en minder contrastrijk dan de meeste andere fazanten, aangepast aan drogere steppe- en woestijnachtige habitats. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen lijken op het vrouwtje maar zijn doffer, vaak met een meer uniform zandkleurig verenkleed. De strepen en vlekken zijn nog zwakker ontwikkeld. De snavel is lichtgrijs, de poten vleeskleurig tot grijsachtig en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zandgeel dons met donkere lengtestrepen op rug en kop voor camouflage in open, droge habitats. De onderzijde is lichter beige tot wit. De snavel is klein en lichtgrijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.