Vogel
Himalayakwartel
Himalayakwartel
Ophrysia superciliosa
Log in om deze soort toe te voegenDe Himalayakwartel (synoniem: Himalayapatrijs) behoort tot het geslacht Ophrysia binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze zeldzame kwartel bewoonde steile grashellingen en struikgewas in het Himalayagebergte op hoogtes tussen 1650 en 2400 meter. Ze was schuw en bewoog zich vooral lopend voort in haar dichte habitat, waarbij vliegen zelden voorkwam. De soort leefde in kleine groepen en had een verborgen levenswijze.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Ophrysia
Ringmaat
Man 6.5 mm Vrouw 6.5 mmWelzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
- Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
- Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
- Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje heeft een overwegend donker verenkleed met zwartbruine grondkleur en fijne lichte vlekken op borst en flanken. De kop toont een duidelijke lichte wenkbrauwstreep (waar de soort zijn naam aan ontleent) die contrasterend afsteekt tegen de donkere kruin en oogstreep. De keel is lichter, vaak vuilwit tot lichtgrijs. De rug en vleugels zijn bruin met subtiele donkere strepen. De snavel is donkergrijs tot zwart, de poten grijsachtig en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is lichter en minder contrastrijk gekleurd dan het mannetje. De wenkbrauwstreep is minder duidelijk, de borst en buik zijn grijzer tot beige met subtiele streping. Het rugkleed is bruin met fijne strepen en vlekken. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn doffer en egaler bruin van kleur. De koptekening is zwak of afwezig, de borst uniformer bruin. De snavel is lichter grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.
Kuiken:
De kuikens waren waarschijnlijk, net als bij verwante kwartels, bedekt met geelbruin dons met donkere strepen langs rug en kop voor camouflage. De onderzijde was lichter beige. De snavel was klein en grijsachtig, de poten vleeskleurig en de iris donker.