Italiaanse patrijs

Perdix perdix italica

Log in om deze soort toe te voegen

De Italiaanse patrijs behoort tot het geslacht Perdix binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

De Italische kwartelpatrijs leeft van nature in het noorden van Italië, waar zij haar habitat vindt in open landbouwgebieden en graslanden. Deze vogel vermijdt dichte bossen en zoekt bescherming in struikgewas bij gevaar. Ze voedt zich vooral met zaden en insecten, vooral in het broedseizoen, en vertoont sociaal gedrag door vaak in groepen te leven buiten het voortplantingsseizoen.

Italiaanse patrijs
Grey Partridge (italica)
Italienisches Rebhuhn
Perdrix grise (italica)

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Perdix

Ringmaat

Man 7.0 mm Vrouw 7.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
  • Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Deze vogel is inheems binnen de Europese Unie (EU) en behoort tot een beschermde soort onder de Europese Vogelrichtlijn. 

Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden, gekweekt en verhandeld. De houder dient zelf aan te tonen dat de vogel legaal is gekweekt en verkregen.

De belangrijkste voorwaarden voor het mogen houden van deze vogels zijn:

  • De vogel is voorzien van een naadloos gesloten pootring van de juiste ringmaat, welke is verkregen via de daartoe bevoegde organisaties (zoals Aviornis International Nederland).
  • Andere bewijsstukken (zoals een herkomstverklaring) kunnen bijdragen aan de aantoonbaarheid van legale herkomst.

Verder lezen? Word lid van Aviornis

Man:
Het mannetje is een middelgrote patrijs van circa 28-32 cm lengte. Het verenkleed is compact en overwegend grijs tot zandbruin. De kop is warm kastanjebruin met een roodbruine oogstreep en een grijs voorhoofd. De keel is wit en scherp omlijst door een zwarte band die doorloopt langs de hals. De borst is egaal grijs, terwijl de buik vuilwit is met centraal een kastanjebruine hoefijzervormige vlek, typisch voor volwassen mannetjes. Rug en vleugels zijn bruin met kastanjebruine en beige bandering, en de flanken tonen brede kastanjebruine strepen afgewisseld met wit. De staart is kort en kastanjebruin. De snavel is stevig en hoornkleurig grijs, de poten zijn vleeskleurig tot oranje en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is gemiddeld iets kleiner en minder contrastrijk. De koptekening is doffer, met een smallere oogstreep. De keelband is minder scherp begrensd en de buik mist meestal de duidelijke hoefijzervlek of toont deze slechts zwak. De snavel, poten en iris zijn identiek aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn egaler zandbruin met fijne donkere stipjes, wat zorgt voor goede camouflage. De kop is uniform bruin zonder duidelijke oogstreep of keelband. De borst en buik zijn beige tot lichtbruin en missen de hoefijzervlek. De snavel is donkergrijs, de poten zijn vleeskleurig tot bleek oranje en de iris zeer donker. Met de eerste rui verschijnen de flankstrepen en keelband, en bij mannetjes later de hoefijzervlek.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met geelbruin dons voorzien van brede donkere lengtestrepen over rug en kop, wat uitstekende camouflage biedt in grasland. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. De volwassen kleurtekening ontwikkelt zich geleidelijk na de eerste rui.