Kaspisch berghoen

Tetraogallus caspius

Log in om deze soort toe te voegen

De Kaspisch berghoen (synoniem: Kaspisch koningshoen) behoort tot het geslacht Tetraogallus binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Dit bergvogeltje leeft in het zuidelijke deel van het Kaukasus- en het noordelijke deel van het Midden-Oosten. Het bewoont ruwe, stenige gebieden en bergweiden, waar het zich voedt met groene planten en insecten. Het is een territoriaal dier dat zich nestelt in rotskloven en -grotten.

Kaspisch berghoen
Caspian Snowcock
Kaukasusk�nigshuhn
T�traogalle de Perse

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Tetraogallus

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een forse hoenderachtige van circa 50�55 cm lengte. Het verenkleed is overwegend grijsbruin, uitstekend aangepast aan het rotsige bergmilieu. De kop is lichtgrijs met een duidelijke witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep die doorloopt tot in de oorstreek. De keel is wit, afgegrensd door een zwarte halsband. De borst is lichtgrijs, de buik vuilwit, en de flanken tonen brede kastanjebruine en zwarte strepen. De rug en vleugels zijn bruingrijs met fijne donkere bandering, terwijl de slagpennen donkerbruin zijn. De staart is middengrijs met een donkere eindband. De snavel is stevig, hoornkleurig tot oranjegrijs, de poten zijn vleeskleurig tot oranjerood en voorzien van korte sporen, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en doffer van tint. De koptekening is minder contrastrijk, de zwarte halsband smaller of onderbroken. De borst en flanken zijn lichter grijsbruin met een fijner patroon. De snavel en poten zijn identiek van kleur aan die van het mannetje, maar de poten zijn slanker en missen vaak duidelijke sporen.

Juveniel:
Juvenielen hebben een egaler bruin verenkleed met een vaag gestreept patroon. De koptekening is nauwelijks ontwikkeld; wenkbrauw- en oogstreep zijn zwak zichtbaar. De borst en buik zijn lichtbruin tot beige zonder de duidelijke flankstrepen van volwassen vogels. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zeer donker. Tijdens de eerste rui verschijnt de kenmerkende contrastrijke koptekening en flanktekening.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met geelbruin dons met brede donkere lengtestrepen over rug en kop, waardoor ze uitstekend gecamoufleerd zijn tegen stenen en gras. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen kleurpatroon ontwikkelt zich pas na de eerste rui.