Vogel
Maleisische bospatrijs
Maleisische bospatrijs
Arborophila campbelli
Log in om deze soort toe te voegenDe Maleisische bospatrijs behoort tot het geslacht Arborophila binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogelsoort leeft in hooglandbossen van het schiereiland Maleisië waar ze de voorkeur geeft aan dichte bosvegetatie met veel ondergroei. Ze voedt zich vooral met vruchten, termieten en kleine weekdieren. Ondanks hun schuwe gedrag komt deze soort nog veel voor en wordt ze niet als bedreigd beschouwd.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Arborophila
Ringmaat
Man 8.0 mm Vrouw 8.0 mmWelzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een kleine bospatrijs van circa 26-28 cm lengte. De kop is opvallend contrastrijk: de kruin en oogstreep zijn zwart, gescheiden door een brede witte wenkbrauwstreep. De wangen en keel zijn wit, scherp omlijst door een zwarte halsband. De borst is diep kastanjebruin, terwijl de buik vuilwit tot lichtbeige is. De flanken zijn grijsachtig met subtiele donkere schubjes. De rug en vleugels zijn bruin tot olijfbruin met fijne donkere bandering, de staart kort en donkerbruin. De snavel is zwart, de poten oranjerood en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en doffer van tint. De witte wenkbrauwstreep is smaller, de zwarte oogstreep minder scherp en de kastanjebruine borst valer van kleur. De keel is vuilwit zonder de strakke begrenzing van het mannetje. De snavel en poten zijn gelijk aan die van het mannetje, maar de poten zijn vaak slanker en de iris meer roodbruin.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter bruin en missen de uitgesproken koptekening. De wenkbrauwstreep en halsband zijn slechts vaag aanwezig. De borst is licht kastanjebruin tot beige, de buik vuilwit en de rug bruin met lichtere randen, waardoor een subtiel geschubd patroon ontstaat. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleek oranje en de iris zeer donker. Naarmate ze ouder worden, verschijnt de kastanjebruine borst en de scherpe kopcontrasten.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met geelbruin dons met brede donkere lengtestrepen over rug en kop, ideaal voor camouflage op de bosbodem. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen kleur- en tekeningpatroon ontwikkelt zich pas na de eerste rui.