Prelaatfazant

Lophura diardi

Log in om deze soort toe te voegen

De Prelaatfazant (synoniem: Siamese vuurrugfazant) behoort tot het geslacht Lophura binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Deze kleurrijke hoenachtige komt voor in laagland- en altijdgroene bossen van Zuidoost-Azië, waaronder Thailand, Cambodja, Laos en Vietnam. Ze leven in dichte bossen, bamboebebossing en secundair bos, vaak tot 800 meter hoogte. De vogels zijn doorgaans in kleine familiegroepen actief en vertonen territoriaal gedrag met vaste rustplaatsen. Ze zijn vooral bodembewoners die zich voeden met zaden en insecten, en vertonen een vrij beperkt bewegingsgebied binnen hun leefgebied.

Prelaatfazant
Siamese Fireback
Prälatfasan
Faisan prélat

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Lophura

Ringmaat

Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mm

Welzijnsadviezen

Fazanten

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
  • Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Fazanten

Man:
Het mannetje is een middelgrote, opvallend gekleurde fazant van circa 70-80 cm lengte. De kop en hals zijn glanzend zwart met een subtiele groenblauwe weerschijn. Op de kop bevindt zich een korte, zwarte kuif. De rug en vleugeldekveren zijn zilverwit met fijne zwarte golflijnen, wat een geschubd effect geeft. De borst en buik zijn diep zwart, soms met een groenige glans. De lange staartpennen zijn wit met subtiele zwarte tekening. Rond het oog bevindt zich een kale, felrode huidzone. De snavel is hoornkleurig tot grijs, de poten zijn robijnrood met sporen, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is veel kleiner en soberder gekleurd, met een bruin tot kastanjebruin verenkleed voorzien van fijne donkere bandering en lichte schubjes. De borst en buik zijn lichter, beige tot vuilwit met subtiele stippen. De staart is korter en bruin gebandeerd. De kale ooghuid is rood maar minder intens dan bij het mannetje. De snavel is grijsbruin, de poten roodachtig maar slanker en meestal zonder spoor, en de iris is bruin.

Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op het vrouwtje, met een overwegend bruin verenkleed en een meer uniforme tekening. De borst en buik zijn vuilwit tot beige met kleine stipjes, de staart is kort en eenvoudig gebandeerd. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zeer donker. Bij jonge hanen ontwikkelen tijdens de eerste rui geleidelijk de witte rug en vleugeldekveren en de langere, lichte staartpennen.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht geelbruin dons met donkere lengtestrepen over rug en kop, wat uitstekende camouflage biedt op de bosbodem. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het geslachtsverschil in verenkleed wordt pas zichtbaar na de eerste rui.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 155
  • Tijdschrift 272