Vogel
Ricketts bospatrijs
Ricketts bospatrijs
Arborophila gingica
Log in om deze soort toe te voegenDe Ricketts bospatrijs (synoniem: Chinese bospatrijs) behoort tot het geslacht Arborophila binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogel komt voor in dichte loof- en naaldbossen van zuid- en zuidoost-China, vaak nabij ravijnen en riviertjes in bergachtige gebieden tussen 150 en 1700 meter hoogte. Hij leeft op de bosvloer waar hij zich voedt met insecten en plantenmateriaal en vertoont schuw en teruggetrokken gedrag.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Arborophila
Ringmaat
Man 8.0 mm Vrouw 8.0 mmWelzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
- Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
- Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
- Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een compacte bospatrijs van circa 26�28 cm lengte. De kop is opvallend getekend: de kruin en oogstreep zijn zwart, gescheiden door een brede witte wenkbrauwstreep. De wangen en keel zijn wit, scherp afgegrensd door een zwarte halsband. De borst is diep kastanjebruin, contrasterend met de vuilwitte tot beige buik. De flanken zijn grijsachtig met fijne donkere schubjes. De rug en vleugels zijn bruin met zwarte en beige vlekken en bandering, de staart kort en donkerbruin. De snavel is zwart, de poten rood tot oranjerood en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en minder contrastrijk. De koptekening is doffer, de zwarte oogstreep en halsband zijn smaller of minder scherp. De borst is lichter kastanjebruin en de buik meer beige. De snavel en poten zijn gelijk van kleur aan die van het mannetje, maar de poten zijn vaak slanker en meestal zonder spoor. De iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter bruin en missen de uitgesproken koptekening en halsband. De borst is lichtbruin tot beige met subtiele vlekjes, de buik vuilwit. De rug is bruin met lichte randen en geeft een geschubde indruk. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zeer donker. Tijdens de eerste rui ontwikkelen zich de kastanjebruine borst en de contrasterende koptekening.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons voorzien van donkere lengtestrepen over rug en kop, een uitstekend camouflagepatroon in het bos. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten zijn vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen kleur- en patroonverschil verschijnt pas na de eerste rui.