Rode kamhoen

Gallus gallus

Log in om deze soort toe te voegen

De Rode kamhoen (synoniem: Rood kamhoen, Bankivahoen) behoort tot het geslacht Gallus binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Deze vogel leeft voornamelijk in tropische gebieden, zoals de dichte bossen, bamboeboomhagen en grassen van India, Thailand, Maleisië en Indonesië. Ze zijn te vinden in gevarieerde habitats, waaronder palmolieplantages en landbouwgebieden. Deze vogels zijn omnivoor, voeden zich met zaden, vruchten, insecten en kleine gewervelde dieren. Ze zijn sociaal georganiseerd en hebben een hiërarchische structuur, waarbij mannelijke vogels territoriaal zijn en met uitgebreide dansen vrouwelijke vogels aantrekken. Ze zijn ook bekend om hun karakteristieke 'hanen' geluid.

Rode kamhoen
Red Junglefowl
Bankivahuhn
Coq bankiva

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Gallus

Ringmaat

Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een middelgrote, slanke hoenderachtige van circa 65-75 cm lengte, waarvan de lange sierveren van de staart en hals duidelijk bijdragen aan het silhouet. De kop draagt een grote, enkelvoudige, rood vleeskam en opvallende rode lellen. De halsveren (sikkelvormig) zijn lang, goudgeel tot oranjerood en contrasteren met de glanzend zwartgroene borst en onderzijde. De rug is kastanjebruin, de vleugels kastanjebruin met kastanjebruine en groene nuances, en de staart bestaat uit verlengde, sierlijke, zwartgroene sikkelveren. De snavel is hoornkleurig, de poten grijs tot leigrijs met duidelijke sporen, en de iris is oranjerood.

Vrouw:
Het vrouwtje is aanzienlijk kleiner (ca. 40-45 cm) en heeft een overwegend bruin tot kastanjebruin verenkleed met donkere vlekken en bandering, ideaal voor camouflage tijdens het broeden. De borst en buik zijn lichter, vuilwit tot beige met fijne bruine stippen. De kam en lellen zijn aanwezig maar veel kleiner en valer rood dan bij het mannetje. De snavel is grijsbruin, de poten leigrijs zonder duidelijke sporen, en de iris is bruin.

Juveniel:
Juvenielen lijken op het vrouwtje, maar zijn egaler bruin en minder contrastrijk getekend. De borst en buik zijn vuilwit tot beige met vage stipjes, de rug bruin met lichtere randen. De kam en lellen zijn nog nauwelijks ontwikkeld. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot grijs en de iris zeer donker. Bij jonge hanen ontwikkelen zich na de eerste rui de verlengde hals- en staartveren en de groeiende kam.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met geel dons met kastanjebruine tot donkerbruine lengtestrepen over rug en kop, een effectief camouflagepatroon in dichte vegetatie. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en hoornkleurig grijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het verschil tussen geslachten wordt pas zichtbaar na de eerste rui.