Roestkopfrankolijn

Pternistis castaneicollis

Log in om deze soort toe te voegen

De Roestkopfrankolijn behoort tot het geslacht Pternistis binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Deze grote vogelsoort komt vooral voor in Ethiopi� en Somali�, waar hij leeft in semi-open bossen en struikgewas op berghellingen. Hij voedt zich vooral met zaden en insecten en is bekend om zijn roep die hij gebruikt om territoria af te bakenen. Deze schuwe soort beweegt zich vaak op de grond en is overdag actief.

Roestkopfrankolijn
Chestnut-naped Francolin
Braunnackenfrankolin
Francolin � cou roux

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Pternistis

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een forse frankolijn van circa 38�40 cm lengte. De kop is grijsbruin met een duidelijke lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De keel is vuilwit, omlijst door een donkere lijn die contrasterend overgaat in de borst. De hals en bovenborst zijn warm kastanjebruin, een kenmerkend veldkenmerk van deze soort. De rest van de borst en flanken zijn fijn geschubd in grijs, zwart en wit, terwijl de buik vuilwit is. Rug en vleugels zijn donkerbruin met kastanjebruine en beige bandering. De staart is kort, afgerond en donkerbruin met lichte dwarsbandjes. De snavel is stevig en oranjerood, de poten rood met duidelijke sporen, en de iris donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en doffer gekleurd. De kastanjebruine hals en bovenborst zijn vaak lichter of minder uitgebreid. De borst en flanken zijn fijner geschubd en de koptekening minder contrastrijk. De snavel en poten zijn gelijk van kleur aan die van het mannetje, maar de poten zijn slanker en meestal zonder spoor. De iris is bruin.

Juveniel:
Juvenielen zijn matter en egaler bruin. De kastanjebruine hals ontbreekt nog; de borst en buik zijn lichtbruin tot beige met vage stipjes. De rug is zandbruin met lichtere randen, waardoor een subtiel geschubd patroon ontstaat. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleek oranje en de iris zeer donker. Tijdens de eerste rui verschijnen de rode poten en de contrasterende kastanjekleurige hals van jonge hanen.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht geelbruin dons voorzien van brede donkere lengtestrepen over rug en kop, een effectief camouflagepatroon op de bosbodem en in grasrijke hellingen. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen kleur- en patroonverschil verschijnt pas na de eerste rui.