Vogel
Roodborstbospatrijs
Roodborstbospatrijs
Arborophila mandellii
Log in om deze soort toe te voegenDe Roodborstbospatrijs behoort tot het geslacht Arborophila binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
De roodborstbospatrijs is een opmerkelijke vogelsoort uit de familie van de fazantachtigen, die voorkomt in het noordoosten van India, Bhutan, Sikkim, Arunachal Pradesh en het zuidoosten van Tibet, op hoogtes van 350 tot 2.500 meter. Hij leeft in dichte, groenblijvende bossen met een rijke ondergroei, vaak in de buurt van water, waar hij schuw en verborgen door het struikgewas scharrelt op zoek naar voedsel. Het gedrag van deze patrijs wordt gekenmerkt door zijn verborgen levenswijze, waarbij hij vooral op de bosbodem actief is en zelden in het open te zien is; zijn aanwezigheid verraadt hij soms door kenmerkende roepjes. De soort wordt bedreigd door ontbossing, vooral door de aanleg van theeplantages, en door jacht.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Arborophila
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een compacte bospatrijs van circa 26-28 cm lengte. De kop is contrastrijk getekend: de kruin en brede oogstreep zijn zwart, gescheiden door een witte wenkbrauwstreep. De wangen en keel zijn zuiver wit, scherp omlijst door een brede zwarte halsband. De borst is diep kastanjebruin, terwijl de buik vuilwit tot lichtbeige is. De flanken zijn grijsachtig met fijne donkere schubjes. Rug en vleugels zijn bruin tot kastanjebruin met zwarte en beige vlekjes en bandering. De staart is kort en donkerbruin. De snavel is zwart, de poten oranjerood en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en doffer van tint. De witte wenkbrauwstreep en keel zijn minder zuiver wit, en de zwarte halsband smaller of onderbroken. De borst is lichter kastanjebruin en de buik meer beige. De snavel is donkergrijs, de poten zijn roodachtig maar vaak valer dan bij het mannetje, en de iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter bruin en missen de contrasterende koptekening en brede halsband. De borst is lichtbruin tot beige met subtiele donkere vlekjes, de buik vuilwit. De rug is bruin met lichtere randen en geeft een geschubde indruk. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zeer donker. Bij de eerste rui verschijnen de kastanjebruine borst en de scherpere koptekening.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht geelbruin dons met brede donkere lengtestrepen over rug en kop, ideaal voor camouflage op de bosbodem. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen kleur- en patroonverschil ontwikkelt zich pas na de eerste rui.