Vogel
Sclaters glansfazant
Sclaters glansfazant
Lophophorus sclateri
Log in om deze soort toe te voegenDe Sclaters glansfazant behoort tot het geslacht Lophophorus binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze prachtige vogel, ook bekend als de 'crestless monal', is inheems in de Himalaya-regio. Hij komt voor in bossen en berggebieden van India, Tibet, Myanmar en delen van China. De vogel is voornamelijk te vinden in gebieden met dichte vegetatie en is bekend om zijn opvallende kleuren. Zowel de mannelijke als de vrouwelijke vogel hebben een specifieke leefomgeving en gedrag, met de mannelijke vogel die een meer kleurrijke verschijning heeft dan de vrouwelijke.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Lophophorus
Ringmaat
Man 16.0 mm Vrouw 16.0 mmWelzijnsadviezen
Fazanten
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een grote, opvallend gekleurde bergfazant van circa 70 cm lengte. De kop draagt een lange, glanzend groene kuif die naar achteren doorloopt. De kruin is koperkleurig met een bronsgroene metallic glans, terwijl de hals en borst iriserend blauwgroen tot paars schitteren. De rug is bronsgroen met een metaalachtige weerschijn, de vleugeldekveren zijn kastanjebruin en de staart is donker kastanjebruin tot zwart. Rond het oog bevindt zich een kale, helderblauwe huidzone die bij balts opzwelt, vaak met oranje of roodachtige tinten aan de basis. De snavel is hoornkleurig grijs, de poten zijn grijsgroen met duidelijke sporen, en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is kleiner en veel soberder gekleurd. Het verenkleed is overwegend bruin met fijne, lichte vlekken en schubjes die uitstekende camouflage bieden in de alpiene vegetatie. De keel en borst zijn beige tot lichtbruin met fijne donkere stippen, de rug en vleugels zijn donkerder bruin met lichte veerranden. De staart is korter en kastanjebruin met bandering. De ooghuid is blauw maar kleiner en valer dan bij het mannetje. De snavel is grijsbruin, de poten grijsgroen zonder uitgesproken sporen, en de iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op het vrouwtje, met een bruin, fijn gebandeerd verenkleed dat weinig contrast vertoont. De borst en buik zijn vuilwit tot beige met subtiele stipjes, en de rug is zandbruin met lichte veerranden. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot grijsgroen en de iris zeer donker. Jonge hanen ontwikkelen tijdens de eerste rui de kastanjebruine vleugels, de glanzend gekleurde kop en borst, en de karakteristieke kuif.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met donkere lengtestrepen over rug en kop, een uitstekend camouflagepatroon in hun bergachtige leefgebied. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het geslachtsverschil wordt pas zichtbaar na de eerste rui.