Shelleys frankolijn

Scleroptila shelleyi

Log in om deze soort toe te voegen

De Shelleys frankolijn behoort tot het geslacht Scleroptila binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Deze vogelsoort, genoemd naar Sir Edward Shelley, is voornamelijk te vinden in het oosten en zuidoosten van Afrika, inclusief landen zoals Kenia, Tanzania, Uganda en Zuid-Afrika. Ze bevorstert zich in grasrijke bossen en graslanden. Het zijn overwegend kastanjebruine en grijze vogels met een karakteristieke keelvlek en staart. Ze zijn niet bedreigd en behoren tot de familie van fazantachtigen.

Shelleys frankolijn
Shelley's Francolin
Shelleyfrankolin
Francolin de Shelley

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Scleroptila

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een middelgrote frankolijn van circa 30�33 cm lengte. De kop is grijsbruin met een duidelijke lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De keel is wit, afgegrensd door een smalle zwarte lijn. De borst is grijs tot grijsbruin met een fijne schubtekening, de buik vuilwit tot beige. De flanken zijn bruin met kastanjebruine en beige streping. De rug en vleugels zijn donkerbruin met zandkleurige en kastanjebruine bandering; de staart is kort, afgerond en bruin met lichte dwarsbandjes. De snavel is stevig en oranjerood, de poten zijn rood met een spoor, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en doffer gekleurd. De koptekening is subtieler, met een blekere wenkbrauwstreep en een minder contrasterende keelaflijning. De borst is lichter grijsbeige en de flanken zijn minder fel gestreept. De snavel en poten zijn gelijk van kleur aan die van het mannetje, maar de poten zijn slanker en missen meestal sporen. De iris is bruin.

Juveniel:
Juvenielen zijn matter en egaler bruin, zonder uitgesproken koptekening. De borst en buik zijn lichtbruin tot beige met vage stipjes. De rug is zandbruin met lichte veerranden en een subtiele schubstructuur. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleek oranje, en de iris zeer donker. Tijdens de eerste rui verschijnen de oranjerode poten en de duidelijke borst- en flanktekening.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met brede donkere lengtestrepen over rug en kop, een effectief camouflagepatroon in gras- en struikrijke gebieden. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de iris zwartbruin. Het volwassen kleur- en patroonverschil wordt pas zichtbaar na de eerste rui.