Vogel
Sneeuwpatrijs
Sneeuwpatrijs
Lerwa lerwa
Log in om deze soort toe te voegenDe Sneeuwpatrijs behoort tot het geslacht Lerwa binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogel leeft in de hoge berggebieden van de Himalaya, op 3.000 tot 5.200 meter hoogte, vooral in alpine weiden en open grasachtige hellingen vlakbij de sneeuwgrens. Hij is aangepast aan koude, vochtige omstandigheden en voedt zich voornamelijk met planten en kleine ongewervelden. Het dier is tamelijk schuw, leeft op de grond en vertoont een complexe balts tijdens het broedseizoen, waarbij het nest onder rotsen wordt gebouwd en 3 tot 5 eieren wordt gelegd.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Lerwa
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een middelgrote berghoen van circa 35-38 cm lengte. De kop en nek zijn lichtgrijs met een subtiele witte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De borst is lichtgrijs, de buik vuilwit tot bleekbeige. De flanken zijn opvallend getekend met brede zwart-witte banden. De rug en vleugels zijn grijsbruin met fijne zwarte strepen en lichte randen, wat een geschubde indruk geeft. De staart is kort, donkerbruin met lichtere bandering. De snavel is hoornkleurig tot zwart, de poten zijn fel rood en voorzien van sporen, en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en minder contrastrijk. De kop en borst zijn meer bruingrijs, en de flankbandering is fijner en valer. De rug en vleugels zijn doffer bruin met subtiele tekening. De snavel en poten zijn gelijk van kleur aan die van het mannetje, maar de poten zijn slanker en vaak zonder uitgesproken sporen. De iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter en egaler bruin. De borst en buik zijn lichtbruin tot beige met vage stipjes, en de flanken zijn slechts subtiel gebandeerd. De rug is zandbruin met lichtere veerranden. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleek oranje, en de iris zeer donker. Tijdens de eerste rui verschijnen de kenmerkende zwart-witte flankbandering en de rode poten.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons voorzien van brede donkere lengtestrepen over rug en kop, waardoor ze uitstekend gecamoufleerd zijn in hun alpiene leefgebied. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen tekeningpatroon verschijnt pas na de eerste rui.