Swinhoe's fazant

Lophura swinhoii

Log in om deze soort toe te voegen

De Swinhoe's fazant (synoniem: Swinhoe fazant) behoort tot het geslacht Lophura binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

De Swinhoe-fazant, endemisch in Taiwan, leeft in subtropische bergbossen tussen 200 en 2300 meter hoogte. Ze bewonen voornamelijk ongestoorde primaire en secundaire bossen met dichte ondergroei. Hun dieet bestaat uit zaden, fruit en insecten. Mannelijke vogels tonen complexe baltsrituelen, terwijl vrouwtjes eieren leggen en uitbroeden. De soort staat als "niet bedreigd, maar potentieel kwetsbaar" op de IUCN-lijst vanwege habitatverlies en beperkte verspreiding.

Swinhoe's fazant
Swinhoe's Pheasant
Swinhoefasan
Faisan de Swinhoe

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Lophura

Ringmaat

Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mm

Welzijnsadviezen

Fazanten

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
  • Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Fazanten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

EU verordening bijlage X

Deze vogelsoort is opgenomen in Bijlage X van de Europese Verordening, een lijst met soorten waarvoor uitzonderingen gelden binnen de EU. 

De soort is wereldwijd opgenomen op CITES appendix I, maar wordt zó veelvuldig gefokt binnen de Europese Unie, dat het niet aannemelijk is dat er handel in wildgevangen exemplaren plaatsvindt van deze soort. Dit betekent dat voor deze vogelsoort een uitzondering geldt voor verplichtingen binnen de Europese Unie: 

  • Voor het houden, fokken en verhandelen binnen de EU is een merkteken (pootring) NIET verplicht.
  • Voor het houden, fokken en verhandelen binnen de EU is er geen administratieplicht.
  • Voor het houden, fokken en verhandelen binnen de EU is een overdrachtsverklaring of herkomstverklaring NIET verplicht.

Voor internationale handel, invoer en uitvoer gelden wel strikte regels.

Man:
Het mannetje is een middelgrote, zeer kleurrijke fazant van circa 70-80 cm lengte. De kop is diepblauw met een glanzende blauwe kuif die naar achteren doorloopt. Rond het oog bevindt zich een kale, felrode huidzone. De hals en borst zijn glanzend blauw met een paarsige weerschijn. De rug en vleugels zijn donkerblauw tot zwart, terwijl de schouderveren zuiver wit zijn en sterk contrasteren. De buik is zwart, en de flanken zijn blauwzwart met een groene glans. De staart is lang en glanzend blauwzwart, met enkele witte buitenste veren. De snavel is hoornkleurig tot lichtgrijs, de poten zijn rood en voorzien van sporen, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is veel kleiner en onopvallend gekleurd, met een verenkleed dat overwegend bruin is met kastanjebruine en beige schubtekening en bandering. De borst en buik zijn beige tot lichtbruin met fijne stippen. De staart is korter en bruin gebandeerd. De rode ooghuid is aanwezig maar minder fel dan bij het mannetje. De snavel is grijsbruin, de poten roodachtig maar meestal zonder sporen, en de iris is bruin.

Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op het vrouwtje en zijn overwegend bruin met subtiele lichte en donkere patronen. De borst en buik zijn vuilwit tot beige met kleine stipjes. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleekrood en de iris zeer donker. Bij jonge hanen verschijnen tijdens de eerste rui de blauwe borst, de witte schouderveren en de glanzende kuif.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht geelbruin dons voorzien van donkere lengtestrepen over rug en kop, een uitstekend camouflagepatroon op de bosbodem. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de iris zwartbruin. Het geslachtsverschil wordt pas zichtbaar na de eerste rui.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 198
  • Tijdschrift 254
  • Tijdschrift 286