Vogel
Tibetaans wigstaarthoen
Tibetaans wigstaarthoen
Tetraophasis szechenyii
Log in om deze soort toe te voegenDe Tibetaans wigstaarthoen behoort tot het geslacht Tetraophasis binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogel komt voor in de bergachtige gebieden van westelijk China, vaak in de buurt van sparrenbossen op grote hoogte. Hij heeft een schuw en territoriaal gedrag en voedt zich voornamelijk met planten en zaden. Zijn aanpassingen maken hem geschikt voor het leven in steile, koude habitatten.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Tetraophasis
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een middelgrote bergfazant van circa 55-58 cm lengte. De kop is grijsbruin met een korte kuif. Rond het oog bevindt zich een opvallende kale, rood tot oranje huidzone. De keel is wit, scherp begrensd door een donkere band die doorloopt naar de borst. De borst en flanken zijn grijsachtig met fijne donkere schubjes, de buik vuilwit tot beige. De rug en vleugels zijn bruin met olijfgrijze en donkere vlekken die voor een gecamoufleerd patroon zorgen. De staart is middellang, afgerond en bruin met fijne bandering. De snavel is hoornkleurig grijs, de poten zijn geel tot oranjegeel en voorzien van sporen, en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en minder contrastrijk van kleur. De kop is meer uniform bruin, de witte keelzone smaller of valer en de donkere halsband minder scherp. De borst en buik zijn lichter grijsbeige en de rug matter bruin. De rode ooghuid is kleiner en valer. De snavel en poten zijn gelijk aan die van het mannetje, maar de poten missen meestal uitgesproken sporen. De iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen zijn meer uniform bruin en missen de contrasterende keel- en koptekening. De borst en buik zijn lichtbruin tot beige met fijne stipjes, de rug zandbruin met lichtere veerranden. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleekgeel en de iris zeer donker. Bij de eerste rui ontwikkelen jonge hanen de witte keel, de donkere borstband en de kale rode ooghuid.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met brede donkere lengtestrepen over rug en kop, een uitstekend camouflagepatroon voor alpiene en struikrijke berggebieden. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen kleur- en patroonverschil verschijnt pas na de eerste rui.