Afrikaanse snip

Gallinago nigripennis

Log in om deze soort toe te voegen

De Afrikaanse snip behoort tot het geslacht Gallinago uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).

Deze vogel komt voor in natte berggebieden, moerassen en hoogvlaktes in oostelijk en zuidelijk Afrika, waar hij broedt tussen 1.700 en 4.000 meter hoogte. Buiten het broedseizoen verspreidt hij zich ook naar laaggelegen kustgebieden. Hij is een kleine, gedrongen steltloper die zich voedt door met zijn lange snavel ondiep in de modder te prikken en vertoont een relatief trage, golvende vlucht.

Afrikaanse snip
African Snipe
Afrikabekassine
B�cassine africaine

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Gallinago

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Man:
Het mannetje is een middelgrote snip van circa 27�29 cm lengte met een opvallend contrastrijk verenkleed. De kop is donkerbruin met drie lichte lengtestrepen die doorlopen van voorhoofd tot achterhoofd. De nek en borst zijn warm bruin met donkere dwarsbandjes, de buik vuilwit. De rug en vleugels zijn donkerbruin met goudgele en kaneelbruine lengtestrepen, wat een geschubd en bont patroon oplevert. De vleugels zijn afgerond; de slagpennen zijn zwartbruin, wat de soort zijn naam geeft. De staart is kort en afgerond, met een roestbruine basis en zwart getekende eindbanden. De snavel is lang, recht en vleeskleurig met een donkere punt; de poten zijn groenig tot grijsgeel; de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje en nauwelijks in het veld te onderscheiden. Ze is gemiddeld iets groter en forser gebouwd, maar de verenkleuren en patronen zijn gelijk.

Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op adulten, maar zijn matter en warmer bruin getint. De lichte lengtestrepen op kop en rug zijn minder scherp, en de vleugeldekveren hebben bredere, lichte randen die een geschubd effect veroorzaken. De borst is vaalbruin met zwakkere bandering. De snavel is korter, donkerder van tint, en de poten zijn vale groenig-grijs.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, bruin tot goudgeel dons met donkere vlekken en strepen die uitstekende camouflage bieden in moerassige vegetatie. De buik is lichter, vuilwit tot cr�me. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Kort na het uitkomen beginnen de kuikens zelfstandig voedsel te zoeken in natte graslanden.