Vogel
Afrikaanse zwarte scholekster
Afrikaanse zwarte scholekster
Haematopus moquini
Log in om deze soort toe te voegenDe Afrikaanse zwarte scholekster behoort tot het geslacht Haematopus uit de familie van Scholeksters (Haematopodidae).
De Afrikaanse zwarte scholekster is een opvallende kustvogel met een geheel zwart verenkleed, helderrode snavel en vleeskleurige poten. Hij komt voor langs de rotsige en zanderige kusten van zuidelijk Afrika, van Angola tot Zuid-Afrika en Namibi�, waar hij het hele jaar door te vinden is. Deze soort is gespecialiseerd in het zoeken naar schelpdieren, weekdieren en kleine ongewervelden op het strand en tussen rotspoelen, vaak onder luidruchtig geroep. Dankzij beschermingsmaatregelen is zijn aantal de laatste jaren toegenomen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Scholeksters (Haematopodidae)
- Bird Genus
- Haematopus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Scholeksters
Scholeksters zijn kustvogels die leven op zand- en slikplaten, rotskusten en kwelders. In de avicultuur vragen ze om ruime, open verblijven met ondiep water, zanderige zones en harde oppervlakken om hun natuurlijke foerageer- en nestgedrag te kunnen vertonen. Om Scholeksters op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste geadviseerde richtlijnen.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met zand- en grindzones; ondiep water (5–20 cm diep) voor foerageren en baden; stenen, schelpen of keien als natuurlijke rust- en nestplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
- Klimaat: weerbestendig; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; bij strenge kou vorstvrij nachtverblijf aanbevolen; zonnige ligging met schaduwplekken geschikt.
- Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedseizoen territoriaal – voldoende ruimte voorkomt conflicten; buiten kweekperiode groepshuisvesting mogelijk bij rust en ruimte.
- Voeding: schelpdieren, weekdieren, garnalen en kleine kreeftachtigen; aanvullen met watervogelpellets of visstukjes; in kweek extra dierlijk eiwit en calcium (schelpen, mineralen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing; zand-, grind- en schelpbodem bevordert natuurlijk gedrag; gladde of harde oppervlakken vermijden om pootproblemen te voorkomen.
Man:
Het mannetje heeft een volledig zwart verenkleed, vaak met een subtiele groene of purperen glans in het zonlicht. De snavel is lang, recht en fel rood tot oranje, typisch voor de soort. De poten zijn roze tot lichtroze. De iris is fel rood en omgeven door een rode oogring. In vlucht blijven de vleugels geheel donker, zonder witte vleugelstrepen of andere contrasterende markeringen.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is gemiddeld iets groter en heeft een langere, slankere snavel. Het verenkleed, de snavel- en pootkleur en de oogkenmerken zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juveniele vogels hebben een donkerbruin verenkleed in plaats van diep zwart, zonder glans. De snavel is korter en doffer oranje met een donkere punt. De poten zijn grijzer roze en de iris bruinachtig, zonder de opvallende rode oogring van volwassen vogels.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met grijsbruin dons met donkere vlekken en een lichtere onderzijde, wat camouflage biedt op rotsige kusten. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.