Vogel
Alagoas mesbekhokko
Alagoas mesbekhokko
Mitu mitu
Log in om deze soort toe te voegenDe Alagoas mesbekhokko (synoniem: Alagoasmesbekpauwie) behoort tot het geslacht Mitu binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
Deze vogel, bekend als de Alagoas curassow, is in het wild uitgestorven, maar was oorspronkelijk te vinden in het noordoosten van Brazilië. Hij bewoonde voornamelijk vochtige tropische bossen. De vogel heeft een opvallende, iriserende zwarte kleur met witte of roodbruine markeringen rond de cloaca en een rood snavel. Beide geslachten hebben gelijkaardige kenmerken.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Mitu
Ringmaat
Man 16.0 mm Vrouw 16.0 mmWelzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een grote, fors gebouwde hokko van circa 83-89 cm lengte. Het verenkleed is grotendeels zwart met een blauwe, metaalachtige glans op kop, nek en rug. De buik en onderstaartdekveren zijn kastanjebruin tot roodbruin. Opvallend is de dikke, rood-oranje wasknobbel (caruncula) aan de basis van de snavel, die enigszins gezwollen is en sterk contrasteert met de zwarte snavel. De iris is roodbruin, de poten zijn robuust en roodachtig. De staart is middellang, zwart met een lichte, blauwgroene glans.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje maar is gemiddeld kleiner en wat slanker gebouwd. Het verenkleed is grotendeels hetzelfde patroon, maar de glans van kop en rug is vaak minder intens blauwachtig. De wasknobbel aan de snavelbasis is iets kleiner en minder prominent rood. De poten zijn eveneens roodachtig, maar vaak lichter van tint.
Juveniel:
Juvenielen hebben een matter verenkleed met een bruinige zweem over de zwarte delen. De kastanjebruine buik en onderstaart zijn minder intens gekleurd. De wasknobbel aan de snavelbasis ontbreekt of is slechts rudimentair aanwezig. De snavel is grijszwart, de iris donkerbruin, en de poten vleeskleurig tot dof roodachtig.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met dicht, geelbruin dons met donkere vlekken op de rug en kop, die camouflage bieden op de bosbodem. De onderzijde is lichter, beige tot vuilwit. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De kenmerkende rode wasknobbel ontwikkelt zich pas in de adolescentie.