Vogel
Altaiberghoen
Altaiberghoen
Tetraogallus altaicus
Log in om deze soort toe te voegenDe Altaiberghoen behoort tot het geslacht Tetraogallus binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogel leeft in het westen van Mongoli� en aangrenzende gebieden van China, Kazachstan en Rusland. Het natuurlijke habitat bestaat uit boreale bossen. Ze zijn plomp gebouwd, met een formaat vergelijkbaar met dat van een grote, zware patrijs. De vogels vertonen nauwelijks sekseverschillen en hebben een karakteristiek uiterlijk met grijze en zwarte vlekken. Ze zijn solitair en sparing in hun voorkomen, maar kunnen in kleine groepen worden aangetroffen, vooral in tijden van overvloedige voedselbeschikbaarheid.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Tetraogallus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
- Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
- Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
- Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een forse hoenderachtige van circa 38�40 cm lengte. Het verenkleed is overwegend grijsbruin, fijn vermengd met beige en zwart, waardoor een geschubd patroon ontstaat dat uitstekend camoufleert in rotsige berggebieden. De kop is lichtgrijs met een duidelijk contrasterende witte wenkbrauwstreep boven het oog en een donkerbruine oogstreep. De keel is wit, afgegrensd door een smalle zwarte band die overloopt in de borst, welke grijs tot lichtbruin getint is. De rug en vleugels zijn grijsbruin met duidelijke donkere bandering, terwijl de buik en flanken lichtgrijs tot vuilwit zijn met smalle, donkere dwarsstrepen. De staart is middengrijs met een donkere eindband. De snavel is stevig en hoornkleurig, de poten zijn vleeskleurig tot roodachtig en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is gemiddeld kleiner en doffer van kleur. De kop- en wenkbrauwtekening zijn minder contrastrijk, en de zwarte halsband is vaak onderbroken of vager afgetekend. De borst en flanken tonen fijnere en minder uitgesproken tekening. De snavel, poten en iris zijn identiek aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend bruinachtig verenkleed met lichtere vlekken en fijne streping. De koptekening is zwakker en de contrasterende keel- en borsttekening ontbreekt nog grotendeels. De snavel is grijsbruin, de poten licht vleeskleurig en de iris donker. Naarmate ze ouder worden, ontwikkelen zich de duidelijke wenkbrauwstreep en de zwarte halsband.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht dons, geelbruin van kleur met donkere lengtestrepen over rug en kop, wat een uitstekend camouflagepatroon biedt in bergachtig terrein. De onderzijde is bleek geel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris donkerbruin. Het gestreepte dons gaat na enkele weken over in het fijn gebandeerde juveniele verenkleed.