Vogel
Andamanentaling
Andamanentaling
Anas albogularis
Log in om deze soort toe te voegenDe Andamanentaling behoort tot het geslacht Anas uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
Deze eendensoort is endemisch voor de Andaman-eilanden en Great Coco Island, waar hij vooral voorkomt in mangroves, lagunes en binnenwateren. In het natte seizoen zoekt hij voedsel in rijstvelden. Het broedseizoen loopt van juli tot oktober, met nesten van gras verborgen in rietvelden; eerdere vermoedens over broeden in boomholtes zijn inmiddels achterhaald. Het menu bestaat hoofdzakelijk uit weekdieren en geleedpotigen, en de soort voedt zich vaak 's nachts. De vogel is sociaal, leeft doorgaans in groepen en de populatie vertoont een gestage groei.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
- Bird Genus
- Anas
Ringmaat
Man 10.0 mm Vrouw 10.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
- Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Man:
Het mannetje heeft een overwegend kastanjebruin lichaam met een opvallende witte keel en bovenborst, die scherp contrasteert met de rest van het verenkleed. De kop en nek zijn donkerbruin, vaak met een subtiele groene glans. De rug en vleugels zijn donkerder bruin met een iriserende groene spiegel die zichtbaar wordt in vlucht. De buik is lichter bruin tot beige. De snavel is donkergrijs tot zwart, de poten zijn grijsgeel en de iris is roodachtig bruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is meer uniform bruin met fijne donkere vlekken en een lichter gekleurde keel, hoewel minder uitgesproken wit dan bij het mannetje. De borst en flanken zijn gebandeerd en de rug is donkerder bruin. De vleugelspiegel is aanwezig maar doffer. De snavel is donkergrijs, de poten grijsgroen en de iris donkerbruin.
Juveniel:
Juvenielen lijken op de vrouwtjes, maar zijn doffer en grijzer van toon. De witte keel is minder scherp begrensd en de borst is egaler bruin. De snavel is grijzer, de poten vleeskleurig tot grijs en de iris donker.
Kuiken:
De kuikens zijn donkerbruin aan de bovenzijde met lichtere geelachtige vlekken op kop en rug, wat camouflage biedt. De onderzijde is lichter geel tot beige. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.