Andessnip

Gallinago jamesoni

Log in om deze soort toe te voegen

De Andessnip behoort tot het geslacht Gallinago uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).

Deze kleine, stevige snip leeft in het Andesgebergte van Venezuela tot Bolivia en blijft het hele jaar in hetzelfde gebied. Hij prefereert vochtige hoogveengebieden waar hij zich voedt met ongewervelde dieren in de zachte bodem. Zijn vlucht is traag en houtkegelachtig, en het mannetje maakt een karakteristiek geluid tijdens de baltsvlucht.

Andessnip
Andean Snipe
Andenbekassine
B�cassine des paramos

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Gallinago

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Man:
Het mannetje is een middelgrote snip van circa 28�30 cm lengte, met een opvallend bont en contrastrijk verenkleed dat uitstekende camouflage biedt in hooglandgraslanden. De kop is donkerbruin met drie lichte, kaneelkleurige lengtestrepen. De nek en borst zijn warm kastanjebruin met fijne donkere dwarsbandjes, de buik is vuilwit tot cr�mekleurig. De rug en vleugels zijn donkerbruin met goudgele en kaneelkleurige strepen en vlekken, die een geschubd en gevlekt patroon vormen. De staart is kort en afgerond, kastanjebruin met duidelijke zwarte dwarsbanden. De snavel is lang, recht, vleeskleurig met donkere punt; de poten zijn olijfkleurig tot geelgroen; de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is zeer gelijkend aan het mannetje en nauwelijks te onderscheiden in het veld. Ze is gemiddeld iets groter en forser, maar de kleurpatronen zijn identiek.

Juveniel:
Juvenielen zijn iets matter en warmer bruin getint. De borst is vaalbruin met zwakkere dwarsbanden, de buik vuilwit. De rug en vleugels hebben bredere, lichtere veerranden waardoor een geschubd effect ontstaat. De snavel is korter en donkerder van tint, de poten grijzer, en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met zacht, geelbruin tot kastanjebruin dons, bezaaid met donkere vlekken en strepen langs rug en kop. De onderzijde is vuilwit tot cr�me. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Direct na het uitkomen volgen ze de oudervogels en zoeken zelfstandig voedsel in moerassige graslanden.