Vogel
Arabische specht
Arabische specht
Dendrocoptes dorae
Log in om deze soort toe te voegenDe Arabische specht behoort tot het geslacht Dendrocoptes binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze kleine specht leeft exclusief in de Sarawat-bergen van Saoedi-Arabi� en Jemen, waar hij zich vooral thuisvoelt in droge bergbossen en struikgewassen. Hij voedt zich voornamelijk met insecten die hij uit de schors van bomen pikt en vertoont typisch spechtgedrag zoals kloppen op hout om zijn territorium af te bakenen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Dendrocoptes
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallend glanzend zwart-wit verenkleed met scherpe contrasten. De kop is voornamelijk zwart met een witte streep boven de ogen. De nek en borst zijn helder wit, terwijl de buik een lichtgrijze tint heeft. De vleugels vertonen een patroon van zwarte en witte banden. De dekveren zijn diepzwart met een subtiele groene glans. De snavel is recht en donkergrijs, met een lichte wasachtige basis. De poten zijn donkergrijs met een robuuste structuur.
Vrouw:
De vrouw heeft een minder contrastrijk verenkleed dan de man, met meer gedempte tinten. De kop is donkergrijs met een vaag witte oogstreep. De nek en borst zijn lichtgrijs, overgaand in een bleke buik. De vleugels hebben een subtiele bandering van grijs en wit. De dekveren zijn matzwart zonder glans. De snavel is iets korter en lichter van kleur dan die van de man. De poten zijn grijs met een fijnere structuur.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met minder uitgesproken contrasten. De kop is grijsbruin met een vage witte streep boven de ogen. De nek en borst zijn lichtbruin, terwijl de buik een bleke beige tint heeft. De vleugels vertonen een onregelmatige bandering van bruin en wit. De dekveren zijn matbruin zonder glans. De snavel is kort en lichtgrijs, met een zachte wasachtige basis. De poten zijn lichtgrijs met een gladde structuur.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne laag grijs dons. De snavel is kort en lichtgekleurd.