Vogel
Australische bonte scholekster
Australische bonte scholekster
Haematopus longirostris
Log in om deze soort toe te voegenDe Australische bonte scholekster behoort tot het geslacht Haematopus uit de familie van Scholeksters (Haematopodidae).
Deze vogelsoort is inheems in Australi�, waar ze voornamelijk langs de kusten van zuidelijke staten zoals Tasmani� en Victoria, maar ook in de noordelijke delen zoals Queensland en West-Australi� wordt aangetroffen. Ze bewonen mudflats, zandbanken en zandstranden, en vermijden rotsachtige kusten. Met hun fel oranje-rode snavel jagen ze op bivalve mollusken die ze openen met hun speciaal aangepaste snavel. Ze zijn schuw en blijven meestal op afstand van mensen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Scholeksters (Haematopodidae)
- Bird Genus
- Haematopus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Scholeksters
Scholeksters zijn kustvogels die leven op zand- en slikplaten, rotskusten en kwelders. In de avicultuur vragen ze om ruime, open verblijven met ondiep water, zanderige zones en harde oppervlakken om hun natuurlijke foerageer- en nestgedrag te kunnen vertonen. Om Scholeksters op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste geadviseerde richtlijnen.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met zand- en grindzones; ondiep water (5–20 cm diep) voor foerageren en baden; stenen, schelpen of keien als natuurlijke rust- en nestplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
- Klimaat: weerbestendig; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; bij strenge kou vorstvrij nachtverblijf aanbevolen; zonnige ligging met schaduwplekken geschikt.
- Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedseizoen territoriaal – voldoende ruimte voorkomt conflicten; buiten kweekperiode groepshuisvesting mogelijk bij rust en ruimte.
- Voeding: schelpdieren, weekdieren, garnalen en kleine kreeftachtigen; aanvullen met watervogelpellets of visstukjes; in kweek extra dierlijk eiwit en calcium (schelpen, mineralen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing; zand-, grind- en schelpbodem bevordert natuurlijk gedrag; gladde of harde oppervlakken vermijden om pootproblemen te voorkomen.
Man:
Het mannetje heeft een opvallend zwart-wit verenkleed. Kop, nek, borst en bovenrug zijn diepzwart, terwijl de buik, onderrug en vleugeldek wit zijn. De vleugels tonen in vlucht een brede witte baan die contrasterend afsteekt tegen de zwarte vleugeldelen. De lange, rechte snavel is fel oranje tot rood. Poten zijn lichtroze. De iris is rood, met een duidelijke rode oogring.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje maar is gemiddeld iets groter en heeft een langere, iets slankere snavel. Verenkleed en kleuren van snavel, poten en iris zijn gelijk.
Juveniel:
Jonge vogels hebben een meer bruinzwart verenkleed in plaats van diep zwart. Het witte van de buik en vleugels is doffer en kan licht grijzig ogen. De snavel is korter en dof oranje met een donkere punt. De poten zijn grijzer roze en de iris is bruinachtig, zonder de uitgesproken rode oogring.
Kuiken:
De kuikens hebben een dons van grijsbruine tot zandkleurige tinten met donkere vlekken, die uitstekende camouflage bieden op zandige en rotsachtige kustlijnen. De onderzijde is lichter gekleurd. De snavel is kort en grijs tot vleeskleurig, poten zijn vleeskleurig, en de iris is donker.