Vogel
Australische lobeend
Australische lobeend
Biziura lobata
Log in om deze soort toe te voegenDe Australische lobeend behoort tot het geslacht Biziura uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
Deze opvallende watervogel komt voor in zuidelijk Australië, inclusief Tasmanië en enkele eilanden, en leeft voornamelijk in diepe zoetwatermoerassen, meren en riviermondingen met dichte watervegetatie. Hij is een uitstekende duiker en voedt zich vooral met waterinsecten, schaal- en weekdieren. Tijdens het broedseizoen voert het mannetje opvallende baltsdansen uit om vrouwtjes te lokken, waarbij het zijn staart omhoog houdt en water opspat met zijn poten. De soort is meestal solitair of leeft in kleine groepen en gebruikt visuele en tactiele signalen voor communicatie.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
- Bird Genus
- Biziura
Ringmaat
Man 13.0 mm Vrouw 13.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
- Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Man:
Het mannetje heeft een groot, stevig lichaam met een donkerbruin tot zwart verenkleed dat in zonlicht een subtiele glans kan vertonen. De kop is donker en zwaar gebouwd, met als opvallend kenmerk de grote, donkere, gelobde huidflap (lob) die onder de snavel hangt. De rug is donkerbruin, de flanken iets lichter bruin gestreept. De snavel is zwart, de poten zijn donkergrijs tot zwart en de iris is geelachtig tot oranjegeel.
Vrouw:
Het vrouwtje is kleiner en slanker, zonder de karakteristieke keel-lob. Het verenkleed is donkerbruin met fijnere lichte strepen op borst en flanken. De snavel is grijszwart, de poten zijn donkergrijs en de iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen lijken op het vrouwtje maar zijn doffer en grijzer van kleur, met een uniformer bruin kleed. De snavel is lichter grijs, de poten vleeskleurig tot grijs en de iris donker.
Kuiken:
De kuikens zijn donkerbruin aan de bovenzijde met geelachtige vlekken langs rug en kop, die zorgen voor camouflage. De onderzijde is lichter geel tot beige. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.