Bandstaarttrogon

Apaloderma vittatum

Log in om deze soort toe te voegen

De Bandstaarttrogon behoort tot het geslacht Apaloderma binnen de familie van Trogons (Trogonidae).

De bar-tailed trogon is een in het oog springende bosvogel uit Centraal- en Oost-Afrika, die leeft in dichte, vochtige montane bossen op hoogtes tussen 900 en 3.000 meter, vaak samen met de nauw verwante Narina trogon. Deze standvogel maakt zich kenbaar door zijn opvallend groene en gele verenkleed en de kenmerkende dwarsbandjes op zijn staart. Hij voedt zich voornamelijk met insecten en vruchten, duikt geruisloos van zijn zitplaats om prooien te vangen en leeft meestal solitair. Ondanks het stille gedrag valt hij soms op door zang, vooral tijdens het broedseizoen in oktober en november, wanneer hij territoria bezet en nesten bouwt in boomholtes.

Bandstaarttrogon
Bar-tailed Trogon
Bergtrogon
Trogon � queue barr�e

Taxonomische indeling

Bird Order
Trogons (Trogoniformes)
Bird Family
Trogons (Trogonidae)
Bird Genus
Apaloderma

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Trogons

Trogons zijn kleurrijke, boomlevende vogels uit tropische en subtropische bossen. Ze leven meestal solitair of in paren en brengen veel tijd zittend door in de boomkruinen, waar zij insecten en fruit verzamelen. In de avicultuur vragen Trogons om rustige, hoog ingerichte en dichtbeplante verblijven met een stabiel warm klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: hoog, dichtbeplant buitenverblijf (20–30 m² per koppel); volièrematen met hoogte ≥ 3 m; binnenverblijf ± 2–3 m² per vogel, warm en tochtvrij.
  • Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 20–28 °C; bij < 15 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%.
  • Sociaal: solitair of per koppel; rustige soort; territoriaal rond nest tijdens broedperiode.
  • Voeding: insecten en zacht fruit; universeelvoer als aanvulling; voer op verhoogde plekken aanbieden; altijd schoon water beschikbaar.
  • Overig: nestkast of holte op hoogte; rustige ligging essentieel; dagelijkse hygiëne en goede ventilatie bevorderen welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen waterpartij voliere

Man:
De man heeft een glanzend groene kop en nek met een subtiele blauwe tint. De borst is helder rood, wat sterk contrasteert met de groene bovenzijde. De vleugels zijn donker met een lichte metaalachtige glans, terwijl de dekveren een diepere groene kleur hebben. De buik is wit met een lichte grijze zweem, die naar de flanken toe donkerder wordt. De snavel is zwart met een lichte kromming en een subtiele wasachtige basis. De poten zijn donkergrijs en hebben een gladde textuur. De iris is donkerbruin, omringd door een dunne, onopvallende oogring.

Vrouw:
De vrouw heeft een doffere groene kop en nek, met minder uitgesproken blauwe tinten. De borst is minder fel rood, met een meer oranjeachtige ondertoon. De vleugels zijn donker, maar missen de metaalachtige glans van de man. De dekveren zijn matgroen, met een lichte bruine tint aan de randen. De buik is wit, met een meer uitgesproken grijze schaduw dan bij de man. De snavel is donkergrijs, met een minder opvallende wasachtige basis. De poten zijn lichtgrijs en hebben een iets ruwere textuur dan die van de man.

Juveniel:
Juvenielen hebben een doffe bruine kop en nek, met een vage groene tint. De borst is licht oranje, met een onregelmatige verspreiding van rode vlekken. De vleugels zijn donkerbruin, met een matte afwerking en lichte slijtage aan de randen. De dekveren zijn bruin met een subtiele groene zweem, die naar de uiteinden toe vervaagt. De buik is grijswit, met een onregelmatige verspreiding van donkere vlekken. De snavel is lichtgrijs, met een nauwelijks zichtbare wasachtige basis. De poten zijn lichtbruin en hebben een gladde textuur.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne laag grijs dons, zonder duidelijke kleurpatronen. De snavel is lichtgeel en zacht van structuur.