Vogel
Blauwringduif
Blauwringduif
Leptotila verreauxi
Log in om deze soort toe te voegenDe Blauwringduif behoort tot het geslacht Leptotila uit de familie van duiven (Columbidae)
.
Deze grote, tropische duif is wijdverspreid in Midden- en Zuid-Amerika, van Zuid-Texas tot West-Bolivia. Ze bewoont open bossen, tuinen en landbouwgebieden. De vogel is over het algemeen solitair of in paren te zien en is behoorlijk schuw. Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden en kleine insecten. Ze legt twee witte eieren in een nest van takken en is een vaste bewoner zonder migratiegedrag. De vlucht is snel en rechtlijnig.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Duiven (Columbiformes)
- Bird Family
- Duiven (Columbidae)
- Bird Genus
- Leptotila
Ringmaat
Man 5.5 mm Vrouw 5.5 mmWelzijnsadviezen
Duiven
Voor een optimaal welzijn van duiven is de inrichting van een passende leefomgeving noodzakelijk. De centrale aandachtspunten voor een verantwoorde verzorging en huisvesting betreffen de beschikbare ruimte, de nutritionele behoeften en het faciliteren van natuurlijk sociaal gedrag.
- Ruimte: per koppel wordt ongeveer 1,6–8 m² geadviseerd, afhankelijk van soort en grootte. Voor volières wordt ongeveer 3 m² en 1,8 m hoogte aangeraden.
- Klimaat: zorg bij voorkeur voor beschutting tegen weer en wind. Sommige soorten hebben baat bij een vorstvrij of verwarmt verblijf.
- Sociaal: duiven voelen zich prettiger in gezelschap; het is daarom aan te bevelen ze ten minste in paren te houden. Tijdens het broedseizoen helpt het om nestgelegenheid en nestmateriaal aan te bieden.
- Volière/uitloop: zitstokken op verschillende hoogten en een wekelijkse badgelegenheid dragen bij aan het welzijn van de dieren.
- Voeding: kies voor zadenmengsels afgestemd op de soort. Voor vruchtenetende duiven zijn fruit en bessen een goede basis. Zorg daarnaast altijd voor mineralen, grit en vers drinkwater.
Man:
Het mannetje (Verreauxi duif of witbuikgrondduif) is een middelgrote, gedrongen duif van circa 27-30 cm lengte. De kop en keel zijn wit tot lichtgrijs, scherp contrasterend met de zacht rosétot lila getinte borst. De rug en vleugels zijn warm bruin tot olijfbruin, met donkerder slagpennen. De buik en onderstaart zijn helder wit. De staart is vrij lang en afgerond, met donkere centrale veren en brede witte buitenste staartpennen, die in vlucht sterk contrasteren. De snavel is zwartachtig met een lichtere basis, de poten karmijnrood en de iris bruin tot roodachtig, vaak omlijst door een smalle, bleke oogring.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en is in het veld nauwelijks te onderscheiden. Gemiddeld is ze iets kleiner en matter gekleurd, met een minder uitgesproken rosé zweem op de borst. De iris is vaak meer bruin dan rood.
Juveniel:
Juvenielen zijn donkerder en meer egaal bruin. De borst is grijzer en mist de lila- of rosézweem. De witte onderdelen zijn vuiler en de buitenste staartpennen zijn minder scherp contrasterend. De veren op rug en vleugels hebben vaak lichtere randjes waardoor een geschubd effect ontstaat. De iris is donkerbruin, de snavel grijzer en de poten valer rood.
Kuiken:
De kuikens zijn nestblijvers, bedekt met een dun dons in bruin- tot grijstinten. De snavel is donker en relatief fors, de poten vleeskleurig en de ogen gesloten bij uitkomst. In de eerste levensdagen worden ze gevoed met 'duivenmelk', waarna ze overgaan naar het juveniele, bruine verenkleed.