Bonte strandloper

Calidris alpina

Log in om deze soort toe te voegen

De Bonte strandloper behoort tot het geslacht Calidris uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).

Deze kleine steltloper broedt in de arctische en subarctische tundragebieden van Scandinavi�, de Baltische staten en andere Noordelijke streken. Gedurende de winter migreren ze naar het zuiden, waar ze voorkomen in grote aantallen in kustgebieden en moerassen. Ze zijn opvallend door hun migratiepatronen, waarbij ze vaak in groepen worden aangetroffen, en hun voorkeur voor natte, moerassige gebieden met gras en riet.

Bonte strandloper
Dunlin
Alpenstrandl�ufer
B�casseau variable

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Calidris

Ringmaat

Man 4.0 mm Vrouw 4.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje is een middelgrote steltloper met een gedrongen lichaam en een vrij lange, licht gebogen zwarte snavel. In zomerkleed heeft hij een kastanjebruine rug met zwarte strepen, een grijze kop met lichte wenkbrauwstreep en een witte buik die scherp contrasterend wordt onderbroken door een zwarte buikvlek. De borst is licht gestreept. De poten zijn zwart en de iris donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is qua verenkleed zeer gelijkend op het mannetje, maar gemiddeld iets groter en met een langere snavel. De borsttekening is soms minder contrastrijk. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juveniele vogels hebben een warmbruin bovendeel met lichte veerranden waardoor een geschubd patroon ontstaat. De buik is wit zonder zwarte vlek, de borst fijn gestreept. De snavel is zwart, de poten donkergrijs tot zwart en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met geelbruin dons met donkere strepen op rug en kop voor camouflage op toendra en natte graslanden. De onderzijde is vuilwit tot lichtbeige. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig tot grijs, en de iris donker.