Bruine chachalaca

Ortalis vetula

Log in om deze soort toe te voegen

De Bruine chachalaca behoort tot het geslacht Ortalis binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

Deze vogelsoort komt voor vanaf zuidelijk Texas tot Noord-Costa Rica en leeft in diverse habitats zoals tropisch en subtropisch bos, struikgewas, rivierbossen en ook menselijk aangepaste gebieden zoals boomgaarden en tuinen. Hij is vooral actief in de koele ochtend en avond, leeft in familiegroepen en voedt zich met vruchten, bladeren en insecten.

Bruine chachalaca
Plain Chachalaca
Braunflügelguan
Ortalide chacamel

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Ortalis

Ringmaat

Man 10.0 mm Vrouw 10.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
  • Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Man:
Het mannetje is een middelgrote cracide van circa 48-58 cm lengte met een slanke, langstaartige bouw. Het verenkleed is overwegend olijf- tot roodbruin; de rug, vleugels en staart tonen een bronsgroene glans. De borst en buik zijn grijsbruin, naar de flanken toe met een rossige zweem. De staart is lang, breed en donker met een metaalgroene glans, en lichte uiteinden aan de buitenste pennen. De kop is relatief klein, met een donkergrijze snavel, een kale, roodachtige keelwam en een donkere iris. De poten zijn grijs tot loodkleurig.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de karakteristieke bouw en verenkleedkleuren. Ze is gemiddeld kleiner en slanker, en de keelwam kan minder ontwikkeld of minder opvallend rood zijn. De verenkleedglans is vaak iets minder uitgesproken.

Juveniel:
Juvenielen zijn valer en uniformer bruin, zonder uitgesproken glans. De borst en buik zijn vaalgrijs tot lichtbruin, de rug matter roodbruin met lichtere veerranden. De staart is korter en minder contrasterend. De keelwam ontbreekt of is slechts rudimentair aanwezig. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijs.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders, bedekt met geelachtig dons met donkere vlekken en strepen die uitstekende camouflage bieden in struik- en boomrijke habitats. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris donker. De keelwam en de metaalachtige glans ontwikkelen zich pas in latere levensstadia.