Vogel
Bruine chachalaca
Bruine chachalaca
Ortalis vetula
Log in om deze soort toe te voegenDe Bruine chachalaca behoort tot het geslacht Ortalis binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
Deze vogelsoort komt voor vanaf zuidelijk Texas tot Noord-Costa Rica en leeft in diverse habitats zoals tropisch en subtropisch bos, struikgewas, rivierbossen en ook menselijk aangepaste gebieden zoals boomgaarden en tuinen. Hij is vooral actief in de koele ochtend en avond, leeft in familiegroepen en voedt zich met vruchten, bladeren en insecten.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Ortalis
Ringmaat
Man 10.0 mm Vrouw 10.0 mmWelzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hokkos en Goeans zijn middelgrote tot grote boshoenders uit Midden- en Zuid-Amerika. Ze leven in dichte bebossing en voeden zich met vruchten, bladeren en kleine ongewervelden. In de avicultuur vragen ze om ruime, groen ingerichte verblijven met hoge rustplaatsen en een warm, vochtig klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met begroeiing en open zones (40–60 m² per koppel); hoge zitstokken of boomstammen aanwezig; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 20–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; beschutting tegen regen en tocht noodzakelijk.
- Sociaal: te houden in paren of familiegroepen; tijdens broedperiode territoriaal – bij voorkeur per koppel afzonderlijk; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
- Voeding: fruit, bessen, zaden, jonge bladeren en insecten; aanvullen met universeelvoer of zachtvoer; dagelijks vers drinkwater en afwisseling in voer belangrijk.
- Overig: nestgelegenheid op hoogte in struiken of takvorken; dagelijkse reiniging en controle van water en voer; ruime, groene inrichting voorkomt stress.
Man:
Het mannetje is een middelgrote cracide van circa 48�58 cm lengte met een slanke, langstaartige bouw. Het verenkleed is overwegend olijf- tot roodbruin; de rug, vleugels en staart tonen een bronsgroene glans. De borst en buik zijn grijsbruin, naar de flanken toe met een rossige zweem. De staart is lang, breed en donker met een metaalgroene glans, en lichte uiteinden aan de buitenste pennen. De kop is relatief klein, met een donkergrijze snavel, een kale, roodachtige keelwam en een donkere iris. De poten zijn grijs tot loodkleurig.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de karakteristieke bouw en verenkleedkleuren. Ze is gemiddeld kleiner en slanker, en de keelwam kan minder ontwikkeld of minder opvallend rood zijn. De verenkleedglans is vaak iets minder uitgesproken.
Juveniel:
Juvenielen zijn valer en uniformer bruin, zonder uitgesproken glans. De borst en buik zijn vaalgrijs tot lichtbruin, de rug matter roodbruin met lichtere veerranden. De staart is korter en minder contrasterend. De keelwam ontbreekt of is slechts rudimentair aanwezig. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijs.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders, bedekt met geelachtig dons met donkere vlekken en strepen die uitstekende camouflage bieden in struik- en boomrijke habitats. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris donker. De keelwam en de metaalachtige glans ontwikkelen zich pas in latere levensstadia.