Vogel
Bruinrugspecht
Bruinrugspecht
Dendropicos obsoletus
Log in om deze soort toe te voegenDe Bruinrugspecht behoort tot het geslacht Dendropicos binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze vogel is een kleine, bruin-gevederde spechtensoort die voorkomt in savannegebieden en droge, open landschappen in Afrika, van Senegal tot Ethiopi� en Noord-Tanzani�, vaak in de buurt van bosranden en zelfs in tuinen. Hij leeft van insecten die hij uit bomen haalt, nestelt in dood of levend hout en broedt van februari tot juni, waarbij beide ouders de eieren uitbroeden en de jongen verzorgen. Door zijn aanpassingsvermogen aan diverse leefomgevingen komt hij over een groot gebied voor, maar blijft het een relatief onopvallende soort in zijn habitat.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Dendropicos
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een overwegend olijfbruin verenkleed met een lichte, goudachtige glans. De kop is donkerder met een opvallende rode kruin. De nek en borst zijn iets lichter, met subtiele streepjes. De vleugels vertonen een patroon van donkere en lichte banden. De snavel is recht en zwart, met een lichte wasachtige basis. De poten zijn grijs met een ruwe textuur. De iris is donkerbruin, omringd door een dunne, lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar olijfbruin verenkleed, maar mist de rode kruin. Haar kop is egaal bruin, zonder opvallende markeringen. De borst en buik zijn iets lichter, met een fijne streping. De vleugels hebben een subtiele bandering, minder contrasterend dan bij de man. De snavel is zwart en iets korter dan die van de man. De poten zijn grijs en hebben een gladde structuur. De iris is donkerbruin, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer bruin verenkleed met een matte uitstraling. De kop is egaal bruin zonder rode tinten. De borst en buik zijn licht gestreept, met een vage tekening. De vleugels vertonen een onduidelijke bandering, minder uitgesproken dan bij volwassenen. De snavel is korter en lichter van kleur, met een grijze was. De poten zijn lichtgrijs en glad. De iris is donkerbruin, zonder duidelijke oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. Hun snavel is kort en lichtgrijs van kleur.