Vogel
Cactusspecht
Cactusspecht
Melanerpes cactorum
Log in om deze soort toe te voegenDe Cactusspecht behoort tot het geslacht Melanerpes binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze vogel is inheems in Bolivia, Paraguay en het noordelijke deel van Centraal-Argentini�. Hetensoort leeft in subtropische of tropische droge bossen en droge struikgebieden. De vogel heeft een karakteristieke zwarte en witte tekening en is niet bedreigd. Het is een algemeen voorkomende soort in zijn verspreidingsgebied.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Melanerpes
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallend zwart-wit gestreept verenkleed op de rug en vleugels. De kop is voornamelijk wit met een rode kruin die helder afsteekt. De borst is lichtgrijs met subtiele donkere strepen. De buik is wit met een lichte glans, zonder opvallende markeringen. De snavel is recht en zwart, met een stevige basis. De poten zijn grijs en hebben een gladde textuur. De iris is donkerbruin, omringd door een dunne, lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar zwart-wit gestreept patroon op de rug, maar zonder de rode kruin. De kop is volledig wit, wat een zachter contrast geeft met de rest van het lichaam. De borst is lichtgrijs met iets meer uitgesproken strepen dan bij de man. De buik is wit, maar mist de glans die bij de man te zien is. De snavel is eveneens zwart en recht, maar iets slanker. De poten zijn grijs en hebben een iets ruwere structuur. De iris is donkerbruin, met een subtiele, lichte oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met minder uitgesproken strepen op de rug en vleugels. De kop is grijsachtig wit, zonder de rode kruin van volwassen mannen. De borst is lichtgrijs met vage strepen, minder duidelijk dan bij volwassenen. De buik is wit, maar vertoont een matte uitstraling. De snavel is korter en lichter van kleur, vaak grijsachtig. De poten zijn grijs en hebben een gladde textuur. De iris is donkerbruin, zonder duidelijke oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne laag grijs dons. De snavel is kort en lichtgrijs van kleur.